Het poldermodel omvat veel meer dan de door de vakbeweging gekoesterde loonmatiging. Bovendien liggen de wortels veel verder in de tijd terug dan het jaar 1982 van het zogenaamde akkoord van Wassenaar. Het is de neoliberale uitwerking van de corporatistische geschiedenis van de Nederlandse sociaal-economische verhoudingen. Aan de traditionele bereidheid van de vakbeweging om in 'constructief overleg' met de werkgevers en de overheid medeverantwoordelijkheid te dragen voor de besturing van de maatschappij is de aanvaarding toegevoegd dat de marktmechanismen die besturing voor hun rekening nemen. Loonmatiging, maar ook sociale vrede, privatisering van publieke economische activiteiten en 'verzakelijking' van de vakbeweging zijn daarvan het gevolg.
Zowel in een grijs verleden als de laatste jaren zijn onder anderen havenarbeiders dissonanten geweest in deze harmonie van 'goed' overleg en 'verantwoorde' loonontwikkeling. Met de 'unieke constructie' van november 1997 waren ze dan ook niet bepaald gelukkig. De toenmalige vervoersbonden FNV en CNV sloten met een aantal havenondernemers een akkoord, waarin het poldermodel tot de uiterste consequentie werd doorgevoerd. De bonden werden werkgever. Behalve dat zij daarmee de verantwoordelijkheid namen voor een ingrijpende inkrimping van het personeelsbestand van de havenpool, waren zij als vertegenwoordigers van de werknemers ook de partij die de uitvoering van dat akkoord dienden te controleren. Een uniek 'twee petten verhaal' dat inmiddels een even uniek vervolg heeft gekregen. Bijna twee jaar na het akkoord staan diezelfde bonden voor de Amsterdamse kantonrechter, die 4 en 5 november 1999 op verzoek van 21 ontslagen poolarbeiders hun werkgever zal onderwerpen aan een 'voorlopig getuigenverhoor'. Eén van de bondspetten, was namelijk een hoge hoed, van 'goed werkgeverschap' bleek geen sprake.
Het poldermodel, de term valt overigens pas in 1994 als de Partij van de Arbeid het motto 'sociaal en sterk' introduceert en andere nationale symbolen als 'tulp' en 'delta' sneuvelen, wordt in het buitenland met bewondering, aarzeling en verbazing gevolgd. Aan een uitspraak van de voorzitter van de FNV, Lodewijk de Waal, kunnen deze reacties geïllustreerd worden: "Essentieel is voor het poldermodel dat er een besef van onmacht is bij elk van de drie partijen." (Het Financiële Dagblad, 30 oktober 1998) De bewondering komt van werkgevers binnen en buiten Europa en van politici als Blair, Schröder en tegenwoordig ook Jospin. De onmacht die hun wordt toegeschreven nemen ze voor lief - ze weten wel beter - de onmacht van de vakbeweging bevalt hen prima en graag wensen zij zich ook een sociale partner. In tegenstelling tot de aarzelende Europese collega's van De Waal loven ze de loonmatiging, maar hun grootste lof gaat uit naar het poldermodel als 'stabiliteitspact'. Dat is de term, waarin kritische leden van de Duitse vakbond IG Metall hun verbazing samenvatten. Daarmee verwijzen naar het pact met dezelfde naam dat de landen van de Europese Unie zich hebben opgelegd om de overheidsfinanciën te saneren. Een bezuinigingsoperatie die alleen in consensus met de Europese vakbonden gerealiseerd kan worden. En juist in die sociale consensus ligt de kern van de kritiek van de 'Genossen' op het poldermodel, die ook bij Franse, Belgische en Britse collega's te horen is. De eventuele import van dat model zien zij als het afscheid van de vakbeweging als 'tegenmacht' en de komst van de postmoderne vakbeweging als 'co-maker' van de macht. Zonder het te weten, beschrijven ze hiermee de positie van de bonden als werkgever in de Amsterdamse havenpool. Tegelijkertijd bieden ze een verklaring voor de recente waarschuwingen van de voorlieden van de vakbeweging om het poldermodel op te blazen bij kwesties als de voortzetting van de loonmatiging, de invoering van de vierdaagse werkweek, de terugdringing van inkomensongelijkheid, de ondernemersvriendelijke kanten van het nieuwe belastingstelsel en de privatisering van de uitvoering van de WAO. Het meedenken, meesturen en mee macht uitoefenen door de postmoderne vakbeweging stuit op de grenzen van de neoliberale realiteit.
In de kwestie van de havenpool, die bij pieken en andere momenten van personeelsgebrek werknemers (vast dienstverband en vallend onder de haven-cao) uitleent aan de havenbedrijven, zijn deze grenzen al eerder bereikt. In een zeer informatief artikel in Trouw van Hans van Scharen, 13 juli 1999, is dat beschreven. De ontwikkelingen in de maanden daarna bevestigen dat nog eens. Eerst even terug naar het genoemde akkoord van november 1997. Daarin is het volgende vastgelegd.
1. Alle, 315, werknemers van de failliete Arbeidspool worden bij een tweedaagse werkweek gedurende een half jaar door een onafhankelijk instituut getest. De werkgever wordt gevormd door een stichtingsbestuur bestaande uit drie bondsbestuurders en twee functionarissen van het Regionaal Bureau van Arbeidsvoorziening (RBA).
2. Op basis van de testresultaten volgt een splitsing in twee pools. Een Scholingspool: een contract van een jaar, één dag werk en daarnaast opleidingen; met dezelfde werkgever. Een Operationele Pool: een contract van onbepaalde duur en drie dagen werk en als werkgever alleen de drie bondsbestuurders.
3. De Scholingspool bestaat een jaar. Daarna zijn de betreffende werknemers gekwalificeerd voor een baan binnen of buiten de haven. Krijgen ze die baan niet, vallen ze terug op de Operationele Pool.
Wat is er gebeurd? De Operationele Pool was gepland voor 110 werknemers. Na ouderen- en vertrekregelingen en werk elders bestond de Scholingspool eerst uit 144 en na het scholingsjaar, juni 1998, uit 98 werknemers. Eerste probleem. In strijd met het akkoord dat de bonden als onderhandelaars hadden gesloten, ontsloegen zij als werkgever deze 98. Tweede probleem. De (paritaire) ontslagcommissie, die de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening adviseert over de verlening van de ontslagvergunning, was unaniem tegen. Niet vanwege de schending van het akkoord, want daar gaat zo'n commissie niet over, maar vanwege de schending van het erkende beginsel 'wie het laatst is binnengekomen, gaat er als eerste uit'. Derde probleem. Op niet geopenbaarde gronden legde die Directeur dit advies naast zich neer en verleende de ontslagvergunning. Vierde probleem. Zijn de testresultaten gebruikt als criterium voor het ontslag? Dat kan niet, want die waren slechts bedoeld voor de splitsing in twee pools. Bovendien kregen alle 21 procederende ontslagen werknemers te horen geschikt te zijn voor werk in de haven. Dat is niet zo gek na tien tot dertig jaar havenwerk. Vijfde probleem. Het onafhankelijk instituut dat de testen verrichtte, bleek verbonden aan het RBA waarvan functionarissen deel uitmaakten van de werkgever. Zesde probleem. Welke criteria zijn dan bij het ontslag toegepast? Er wordt een rijtje gepubliceerd dat één van de bondsbestuurders, annex werkgever, later "klef" noemt. Één voorbeeld: "instelling (gestaag willen aanpoten, geen schades veroorzaken, geen geruzie met derden tijdens het werk, voortijdig het werk verlaten)". Bij dat rijtje staat overigens "onder andere", waarmee het volstrekt oncontroleerbaar wordt. Hiertegen heeft noch 'de bond' noch 'de werkgever' geprotesteerd.
In het getuigenverhoor willen 'de 21' uitleg krijgen over deze problemen. Daarvoor zijn acht getuigen opgeroepen die verplicht zijn te verschijnen en onder ede staan. Drie bondsbestuurders, twee RBA-functionarissen en drie (oud-)managers. Het vermoeden is dat het ontslag volgens een grote willekeur heeft plaatsgevonden. Wanneer dit met de verkregen informatie aangetoond kan worden, is er een juridische grond voor het stellen van eisen.
Een gemakkelijke weg is dat tot nu toe niet geweest, ook omdat onder 'de 21' nogal wat leden zijn van FNV Bondgenoten. Afspraken over overleg, via de advocaat van de werkgever, eerder raadsman van de ondernemingsraad van de Arbeidspool, werden eerst uitgesteld en daarna afgezegd. Het verzoek om de adressen van de op te roepen getuigen werd pas ingewilligd na een kort geding. De juridische dienst van de FNV weigerde eerst de zaak in behandeling te nemen en beknibbelde later zo op de toegezegde bijdrage aan de kosten van hun advocaat dat waarschijnlijk daarvan net de postzegels betaald kunnen worden.
Het is te hopen dat deze zaak van de Amsterdamse havenpool de bonden tot een verdere bezinning brengt over hun positie als 'co-maker' van de werkgeversmacht. Deze wel erg vergaande uitwerking van het poldermodel laat zien dat de bond als werkgever kennelijk onvermijdelijk het gedrag kopieert van degenen die ooit als de 'natuurlijke vijand' beschouwd werden.
Hans Boot (hoofdredacteur Solidariteit, blad voor een strijdbare vakbeweging)
[1 november 1999 - toegezonden naar Trouw, de redactie vond het interessant, maar de kwestie van de pool te ingewikkeld voor de niet-geïnformeerde lezers. Een aangepaste versie is verschenen in Grenzeloos 52 november/december 1999.]