KANTONGERECHT AMSTERDAM
rolnummers: 20431-99, 4425-00 en 5689-00
175
datum: 8 mei 2001
Vonnis in de zaak met rolnummer 20431-99 van:
1. Joannes Theodorus BAKKER,
wonende te Andijk,
2. Bernard Frederik BRASTER,
wonende te Utrecht,
3. Johan DROS,
wonende te Harderwijk,
4. Hendrik DUIVEMAN,
wonende te Zuid-Scharwoude,
5. Hendrik Albertus ELOUT,
wonende te Amsterdam,
6. Gerrit FOEKENS,
wonende te Amsterdam,
7. Cornelis DE HAAN,
wonende te Amsterdam,
8 . Faisal Emiliano Clyde JUBITANA,
wonende te Zaandam,
9. Aart KOELEWIJN,
wonende te Spakenburg,
10. Leonardus Dirk LAUPPE,
wonende te Amsterdam,
11. Cornelis MANTOUA,
wonende te Amsterdam,
12. Hendrikus Johannes Petrus NEIJTS,
wonende te Haarlem,
13. Gijsbertus Johannes POTHOVEN,
wonende te Amsterdam,
14. Rudolf Johannes POTHOVEN,
wonende te Amsterdam,
15. Johannes Jacobus ROEDOE,
wonende te Amsterdam,
16. Klaas SMIT,
wonende te Amsterdam,
17. Josephus TIEKEN,
wonende te Amsterdam,
18. Rudolf Gerardus TOORNMAN,
wonende te Amsterdam,
19. Hendricus Albertus VINK,
wonende te Amsterdam,
20. Hendrik Jacobus DE VINK,
wonende te Purmerend,
21. Bouke DE VRIES,
wonende te Amsterdam,
22. Pieter VAN WELL,
wonende te Heerhugowaard,
23. Ab DE WILDT,
wonende te Amsterdam en
24. Theo VAN ZANDVOORT,
wonende te Amsterdam,
eisers,
gemachtigde: H. Verbeek voor mr. W.G. Fischer,
Rolnummers: 20431-99, 4425-00 en 5689-00 2
tegen:
STICHTING PERSONEELSVOORZIENING AMSTERDAM
NOORDZEEKANAALGEBIED,
gedaagde,
hierna te noemen: SPAN,
gevestigd te Amsterdam,
gemachtigde: H. Verbeek voor mr. R. van der Stege.
alsmede vonnis in de zaak met rolnummer 4425-00 van:
Cornelis Wilhelm Johannes RIETVELD,
wonende te Hoorn,
eiser (sub 25.) ,
gemachtigde: H. Verbeek voor mr. W.G. Fischer,
tegen:
STICHTING PERSONEELSVOORZIENING AMSTERDAM
NOORDZEEKANAALGEBIED,
gedaagde,
hierna te noemen: SPAN,
gevestigd te Amsterdam,
gemachtigde: H. Verbeek voor mr. R.; van der Stege.
alsmede vonnis in de zaak met rolnummer 5689-00 van:
Leopold Raoul HERMAN,
wonende te Purmerend,
eiser (sub 26.),
gemachtigde: H. Verbeek voor mr. W.G. Fischer,
tegen:
STICHTING PERSONEELSVOORZIENING AMSTERDAM
NOORDZEEKANAALGEBIED,
gedaagde,
hierna te noemen: SPAN,
gevestigd te Amsterdam,
gemachtigde: H. Verbeek voor mr. R. van der Stege.
Het verloop van de procedure:
Bij dagvaarding d.d. 15 december 1999 vorderden eisers te
verklaren van recht:
- dat "het eisers door SPAN gegeven ontslag schadeplichtig is";
- dat gedaagde wegens het niet afdragen van inhoudingen jegens
eisers voor de schade van eisers aansprakelijk is;
- dat gedaagde correct met eisers dient af te rekenen (terzake
de zgn. 'eindafrekening').
Rolnummers: 20431-99, 4425-00 en 5689-00 3
Gedaagde antwoordde schriftelijk en bestreed de vorderingen.
In de zaken met de rolnummers 4425-00 en 5689-00 heeft
gedaagde verzocht deze zaken te voegen met de zaak met
rolnummer 20431-99, met welke verzoeken SPAN heeft ingestemd.
Eisers namen een schriftelijke conclusie van repliek. De eis
werd daarbij gewijzigd in de navolgende vorderingen:
"primair de vernietiging van de splitsing tussen scholingspool
en operationele pool uit te spreken en te bepalen dat aan
eisers vanaf 16 juni 1998 ten minste 88% van het CAO-loon
toekomt tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig
ten einde zal zijn gekomen (hierna aangeduid als vordering I,
ktr.) ;
subsidiair, voor zover de splitsing van de twee pools in stand
blijft, te bepalen dat de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is en gedaagde te
gelasten de arbeidsovereenkomst tussen eisers en gedaagde te
herstellen (hierna aangeduid als vordering II, ktr.);
alsmede de afkoopsom te bepalen die de verplichting tot
herstel van de arbeidsovereenkomst doet komen te vervallen
(hierna aangeduid als vordering Ha, ktr.);
voorwaardelijk, voor zover er na verkregen toestemming van de
Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening een rechtsgeldig einde
aan de arbeidsovereenkomst is gekomen, gedaagde te veroordelen
tot het voldoen van salaris tot datum einde
arbeidsovereenkomst en tot het uitkeren in geld tot een bedrag
van het loon over het tijdvak waarover volgens de verstrekte
overzichten aanspraak op vakantie en ATV bestaat, alsmede de
wettelijke verhoging (hierna aangeduid als vordering III,
ktr.);
voor recht te verklaren dat gedaagde aan door haar aan eisers
gedane pensioentoezegging is gehouden met als resultaat een
ongebroken pensioenopbouw en WAO-hiaat verzekering (hierna
aangeduid als vordering IV, ktr.);
gedaagde in de kosten van de procedure te veroordelen (hierna
aangeduid als vordering V, ktr.)."
Gedaagde nam een schriftelijke conclusie van dupliek. Gedaagde
heeft zich daarbij verzet tegen de vordering tot wijziging van
eis.
Eisers namen een schriftelijke akte, waarbij zij zich hebben
uitgelaten over de door gedaagde bij dupliek overgelegde
producties.
Daarna hebben eisers sub l t/m 24 en gedaagde in de zaak met
rolnummer 20431-99 om pleidooi gevraagd. De kantonrechter
heeft pleidooi ter openbare terechtzitting d.d. 21 november
2000 toegestaan. Eisers sub 1-3, 5-14 en 16-24 zijn verschenen
met hun gemachtigde. Eisers sub 4 en 15 zijn niet verschenen.
Gedaagde is verschenen bij de heer J. Heilig met haar
gemachtigde. Beide gemachtigden hebben gepleit. Ter
gelegenheid van de pleidooien hebben beide partijen nieuwe
stukken in het geding gebracht, waarop zij elk bij gelegenheid van
hun pleidooi hebben gereageerd.
Rolnummers : 20431-99, 4425-00 en 5689-00 4
Daarna is vonnis gevraagd en bepaald op 16 januari 2001.
Vervolgens hebben eisers sub l t /m 24 en SPAN
verzocht om SPAN toe te staan om in de zaak met rolnummer 20431-99
alsnog nadere stukken in het geding te brengen, hetgeen is geschied.
Eisers hebben daarop bij akte gereageerd.
Daarna is opnieuw om vonnis gevraagd en is vonnis bepaald
op heden.
De inhoud van de hierboven vermelde stukken geldt als hier
ingevoegd.
De gronden van de beslissing:
Als tussen partijen vaststaand wordt, op grond van hetgeen
door de ene partij gesteld is en door de andere partij niet of
onvoldoende betwist is, alsmede op grond van de op dat punt
niet of niet voldoende betwiste inhoud van de overgelegde
bewijsstukken, aangenomen:
a. eisers zijn krachtens arbeidsovereenkomst voor bepaalde
tijd per 16 december 1997 voor de duur van zes maanden in
dienst van SPAN getreden;
b. SPAN is eind 1997 door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en door de toenmalige Vervoersbonden FNV en CNV (thans:
FNV Bondgenoten en Bedrijvenbond CNV) opgericht als
arbeidspool voor de Amsterdamse haven, nadat de voorheen
bestaande arbeidspool SHB (die tot 1995 met steun van
havenwerkgevers en sociale verzekeringsgelden 'overeind'
werd gehouden) in 1995 was overgegaan (zonder voormelde
financiële steun) naar het toen nieuwe AAN B.V.
(Arbeidspool Amsterdam Noordzeekanaalgebied B.V.), welke
vennootschap niet levensvatbaar bleek en op 2 september
1997 in staat van faillissement is verklaard, waarna alle
315 personeelsleden van AAN B.V. (waaronder alle eisers)
door de curator zijn opgezegd;
c. bij de oprichting van SPAN is afgesproken tussen de
oprichters en andere bij de situatie betrokken partijen
(havenwerkgevers, gemeente Amsterdam, LISV) dat er op
termijn buiten SPAN een afgeslankte arbeidspool zou
overblijven (thans geheten: SPANO), waarin slechts voor
een deel van de ex-AAN werknemers plaats zou zijn;
d. de selectie van de voor de definitieve arbeidspool
(SPANO) te kiezen werknemers zou in beginsel geschieden
in de zes maanden dat het dienstverband bij SPAN voor
alle ex-AAN werknemers zou (kunnen) duren, indien zij op
het daartoe strekkende aanbod van SPAN zouden ingaan;
e. tijdens voornoemde periode van zes maanden zou slechts in
beperkte mate (in beginsel 2 dagen per week) feitelijk
arbeid behoeven te worden verricht door de ex-AAN
werknemers, omdat zij gedurende (in beginsel) 3 dagen per
week (met behoud van uitkering) getest en (bij- c.q.
om-) geschoold zouden (kunnen) worden, teneinde een
mogelijke overstap naar een andere baan (buiten SPAN en
SPANO) te bevorderen;
Rolnummers: 20431-99, 4425-00 en 5689-00 5
f. van de werknemers van SPAN hebben er 110 het aanbod
gekregen om na het einde van de arbeidsovereenkomst met
SPAN (per 17 juni 1998) in dienst te treden van SPANO,
terwijl aan 144 werknemers van SPAN een verlenging van
hun dienstverband met SPAN voor de duur van één jaar (tot
17 juni 1999) werd aangeboden, gedurende welk jaar zij
(anders dan voorheen) niet 100% van hun oude AAN-
schemasalaris doorbetaald zouden krijgen, maar (na twee
maanden) zouden terugvallen op 80% van hun oude
schemasalaris, waarbij zij in beginsel in plaats van twee
nog maar één dag per week feitelijk werkzaam zouden zijn;
g. van de 144 werknemers van SPAN per 18 juni 1998 waren er
in december 1998 inmiddels 47 vertrokken en elders
werkzaam, zodat er 97 werknemers overbleven, waarvoor
(feitelijk: 96) op 22 december, 1998 een melding ex. de
WMCO werd gedaan en nadien een ontslagvergunning bij de
RDA is aangevraagd, welke vergunningen zijn verleend;
h. zowel in de eerste (art. 13) als in de aansluitende (art.
12) arbeidsovereenkomst tussen eisers en SPAN is terzake
de 'doorwerking' van de oude dienstverbanden met
achtereenvolgens de stichting SHB en AAN B.V. opgenomen:
"Voor wat betreft de opbouw extra vakantie wegens
langdurig dienstverband en de opzegtermijn in geval van
beëindiging van het dienstverband zal voor wat betreft de
anciënniteit worden uitgegaan van de aanvang van het
dienstverband met de Stichting Samenwerkende Havenbedrijven,
Arbeidspool Amsterdam Noordzeekanaalgebied B.V.,
dan wel rechtsvoorgangers hiervan.";
i. blijkens de melding WMCO d.d. 22 december 1998 (de
ontslagaanvraag zelf is niet overgelegd door partijen,
zodat aangenomen moet worden dat die - voor zover
relevant - geen van vorenstaand stuk afwijkende inhoud
bevatte) heeft SPAN - voor zover relevant - aan de
ontslagaanvragen ten grondslag gelegd:
"Gezien de strekking van het 'akkoord op hoofdlijnen,
waaruit de tijdigheid van de SPAN-activiteiten
voortvloeit en gezien de onmogelijkheid voor SPAN om na
17 juni 1999 nog financiële verplichtingen ten opzichte
van de SPAN-werknemers te hebben, kan SPAN niet anders
dan de dienstverbanden van de SPAN-werknemers opzeggen.
Een en ander is volstrekt conform de bestaande akkoorden.
(..) Voor de goede orde, de ontslagvergunning geldt voor
de werknemers die feitelijk geen werkzaamheden verrichten
in de Amsterdamse haven doch louter vanwege
de inkomensgarantie, opleidingsfaciliteiten en
mogelijke doorstroming naar SPANO, nog in dienst zijn. (...) SPAN
heeft geen enkele inkomsten, voor wat betreft de
verplichtingen aangegaan in het accoord op hoofdlijnen
dient er een beroep op SPANO te worden gedaan. De
Ondernemingsraad werd reeds geruime tijd geleden van het
voornemen op de hoogte gesteld en er werd met betrekking
tot het voornemen uitgebreid overleg gevoerd met de
Ondernemingsraad. (..)";
j. het bestuur van SPAN en SPANO wordt gedeeltelijk door
dezelfde personen gevormd, maar er is geen sprake van een
volledige personele unie.
Rolnummers: 20431-99, 4425-00 en 5689-00 6
2.l Gedaagde heeft allereerst gevorderd dat de vorderingen van
eisers gesplitst worden, omdat het individuele vorderingen
betreft die zich niet lenen voor gezamenlijke behandelingen.
Gedaagde kan in dat standpunt niet worden, gevolgd nu ten
aanzien van de vorderingen hiervoor aangeduid met I, II en IV
geen relevant onderscheid tussen de verschillende eisers wordt
gemaakt (behoudens in haar verweer ten opzichte van eiser sub
16., waarover hierna onder 3. meer). Waar de vorderingen sub
III. weliswaar per individuele werknemer verschillende
uitkomsten (in de zin van verschillende bedragen) zou laten
zien indien deze toegewezen zouden worden, gaat het bij de
daaraan ten grondslag liggende gronden om hetzelfde
feitencomplex. Er is uit proceseconomisch oogpunt dus alles
voor te zeggen de zaken tesamen te behandelen. [Ten
overvloede: als de zaken gesplitst waren aangebracht, zou er
vooral veel voor te zeggen zijn deze alsnog te voegen.]
2.2 SPAN heeft bovendien bezwaar gemaakt tegen de wijziging van
eis bij repliek. Dit bezwaar wordt verworpen nu de nieuwe
vorderingen nauw samenhangen met het feitencomplex waarop ook
de aanvankelijke vorderingen gebaseerd waren, zodat de
verdediging door SPAN niet is bemoeilijkt door de wijziging
van eis in deze fase van de procedure.
3. De arbeidsovereenkomst van eiser sub 16. (Smit) is - anders
dan de overige eisers - na het einde van de eerste
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd per 17 juni 1998 niet
langer in dienst van SPAN geweest. De arbeidsovereenkomst van
Smit is van rechtswege per genoemde datum geëindigd. Gelet op
deze wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst dienen
de vorderingen van Smit te worden afgewezen, aangezien:
- hij bij vordering I. geen belang heeft en deze ook
overigens niet toewijsbaar is (zie hierna);
- vordering II. gebaseerd is op een opzegging, waarvan bij
Smit geen sprake is geweest;
- de voorwaarde voor vordering III. niet vervuld is;
- Smit voor vordering IV. niet voldoende concrete feiten
heeft gesteld ten aanzien van de bijzondere positie van
Smit;
- SPAN geenszins als de in het ongelijk gestelde partij in
de procedure tegen Smit kan worden beschouwd.
Nu SPAN echter geacht moet worden geen meerkosten gehad te
hebben in de procedure tussen haar en Smit wordt ten aanzien
van de kosten beslist als in het dictum nader vermeld.
4.1 De primaire vordering (vordering I.) heeft betrekking op de
stelling dat 'de splitsing tussen scholingspool en
operationele pool nietig is', op welke grondslag eisers
doorbetaling van loon vorderen. Kennelijk is daarbij bedoeld:
loon vanaf 17 juni 1999 tot heden en vanaf heden tot aan de
datum waarop de arbeidsovereenkomst alsnog rechtsgeldig
geëindigd zal zijn.
4.2 De in casu ingestelde vordering tot vernietiging 'van de
splitsing' mist echter iedere wettelijke grondslag en is reeds
om die reden niet toewijsbaar. Voor zover eisers gesteld
Rolnummers: 20431-99, 4425-00 en 5689-00 7
hebben dat het gewraakte handelen van SPAN in strijd met haar
verplichtingen als goed werkgeefster was, zouden eisers (bij
gegrondbevinding) aanspraak kunnen maken op ofwel nakoming van
de op SPAN rustende verplichtingen ofwel vervangende
schadevergoeding. Geen van beide mogelijkheden is hier echter
gevorderd nu immers vernietiging van een rechtshandeling is
gevorderd, nl. de kennelijk bestaande overeenkomst met SPANO.
Het is immers SPANO geweest die de arbeidsovereenkomsten met
de formeel door haar uitgekozen werknemers is aangegaan. Voor
zover SPAN daarbij dienstig aan SPANO is geweest dient die
gang van zaken echter als uitvoering van het hoofdlijnen-
akkoord gezien te worden, waartoe SPAN jegens SPANO (en alle
werknemers van SPAN, waaronder eisers) gehouden was. SPANO is
bovendien geen partij in deze procedure, terwijl niet kan
worden ingezien op welke grondslag SPAN de kennelijk bestaande
overeenkomst met SPANO eenzijdig zou kunnen vernietigen.
4.3 Ten overvloede merkt de kantonrechter op dit punt nog het
volgende op. Voor zover ook beoogd zou zijn de keuze van SPANO
voor de 110 door SPANO in dienst genomen werknemers met de
gevorderde vernietiging te treffen, is wederom duidelijk dat
daarvoor in de onderhavige procedure een voldoende juridische
grondslag onder een dergelijke vordering van eisers ontbreekt,
althans dat eisers daartoe op het verkeerde moment (nl. erg
laat, als er al lang sprake is van allerlei voldongen feiten)
de verkeerde juridische procedure (nl. geen spoedprocedure)
tegen de verkeerde partij (SPAN in plaats van SPANO) lijken te
zijn begonnen. Een procedure gebaseerd op de overgang van
onderneming had immers niet tegen SPAN maar tegen SPANO
gevoerd dienen te worden: een selectie als gewraakt is bij
zo'n overgang niet toegestaan, maar moet in een procedure
tegen SPANO worden aangevochten.
4.4 Voor zover echter het gesloten stelsel van het ontslagrecht
doorkruist zou worden, in die zin dat SPAN de facto (en
kennelijk ook de jure) de arbeidsovereenkomsten als nimmer
(rechtsgeldig) beëindigd zou dienen te beschouwen en daarnaar
zou dienen te handelen, vorderen eisers meer dan op grond van
schending van de norm van art. 7:611 B.W. mogelijk is. Het
gesloten stelsel van het ontslagrecht brengt immers mee dat
een opzegging die niet in strijd is met één van de
wettelijke opzegverboden feitelijk niet aantastbaar is anders dan ofwel
een vordering uit kennelijk onredelijke opzegging in te
stellen (strekkende tot een veroordeling van de werkgever om
de arbeidsovereenkomst te herstellen, waaraan echter geen
terugwerkende kracht toekomt, dan wel deze te veroordelen tot
betaling van een schadevergoeding, naar billijkheid vast te
stellen) ofwel door schadevergoeding op grond van
onrechtmatige daad te vorderen. Geen van vorenbedoelde
'sancties' kan echter gelijkgesteld worden aan hetgeen in casu
door eisers wordt gevorderd, nl. het met terugwerkende
kracht ongedaan maken van een keuze van 110 werknemers uit een groep
van (in beginsel) 315 werknemers, welke keuze formeel
bovendien niet door de wederpartij in deze procedure is
gedaan, maar door de nieuwe vennootschap SPANO, die formeel
een andere is dan SPAN. Het moge zo zijn dat kennis die SPANO
Rolnummers: 20431-99, 4425-00 en 5689-00 8
feitelijk had voortkwam uit informatie van SPAN, doch dat
maakt SPAN formeel nog niet verantwoordelijk voor de door
SPANO gemaakte keuze(s). Uiteraard kan SPAN aangesproken
worden op bedoelde overdracht, resp. de wijze waarop die
informatie is verzameld, maar de keuze tot indiensttreding
wordt formeel nu eenmaal door werkgever en werknemer tesamen
gemaakt (en niet door derden, behoudens evt. krachtens een
overdracht van bevoegdheid).
Op vorenstaande gronden dienen de vorderingen van eisers,
hiervoor aangeduid als vordering I, te worden afgewezen.
De subsidiaire vordering van eisers (aangeduid als vordering
II) is gebaseerd op de kennelijke onredelijkheid van de
opzeggingen van de arbeidsovereenkomsten met eisers door SPAN.
Die kennelijke onredelijkheid is - kort samengevat - gebaseerd
op:
a. de valsheid van de opgegeven redenen (er zou wel werk
voor eisers geweest zijn, er zouden wel inkomsten geweest
zijn, er heeft geen overleg met OR en vakbonden
plaatsgevonden, alles derhalve anders dan door SPAN is
gesteld);
b. de wijze waarop de selectie heeft plaatsgevonden (nl.
uiterst onzorgvuldig, zowel in de gehanteerde
selectiemethoden, als in de voorlichting, als in de
feitelijke uitvoering);
c. de anciënniteitsvolgorde is geschonden.
Het onder 5.l.c. hiervoor genoemde argument wordt verworpen nu
voldoende vaststaat dat SPAN alle eisers (beter nog: al haar
werknemers, dus ook de 110 die overgingen naar SPANO) per
gelijke datum heeft aangenomen, waarbij alle werknemers kwamen
vanuit een faillissementssituatie van AAN B.V. Als bekend gaan
bij faillissement de rechten van werknemers niet over op de
nieuwe werkgever, ook niet als die de activiteit aansluitend
voortzet. Onder die niet overgaande rechten vallen ook de zgn.
anciënniteitsrechten bij ontslag. [Ten overvloede zij
opgemerkt dat die rechten, mede bij het in acht nemen van het
afspiegelingsbeginsel, ook anderszins niet 'absoluut' te
noemen zijn.] De inhoud van de individuele arbeidsovereenkomst
maakt dat niet anders, omdat daarin slechts sprake is van een
overname van anciënniteitsrechten ten aanzien van extra
vakantie-opbouw, hetwelk andere anciënniteitsrechten zijn
dan die bij ontslag.
Ad 5.1.b.: De wijze waarop de selectie heeft plaatsgevonden
is, zo heeft SPAN toegegeven, inderdaad op punten onzorgvuldig
geweest. Gelet echter op de tijdsdruk en de omvang van de
operatie is, alle omstandigheden van het geval in aanmerking
nemende, niet aantoonbaar sprake geweest van een zodanig
onzorgvuldige gang van zaken dat dit een jaar nadien niet had
mogen leiden tot een einde van de (een jaar voordien)
voortgezette arbeidsovereenkomst. De voor de selectie
opgestelde criteria zijn geen van alle zodanig ondoelmatig dat
van een onaanvaardbare gang van zaken kan worden gesproken.
Het moge zo zijn dat diverse criteria subjectieve elementen
Rolnummers: 20431-99, 4425-00 en 5689-00 9
kenden, doch dat doet de nadien gevolgde ontslagen (voor
degenene die niet gekozen zijn) nog niet kennelijk onredelijk
zijn. Bovendien is het een illusie te denken dat een selectie
als nu binnen korte tijd gemaakt moest worden geheel zonder
enige subjectieve invloed zou kunnen plaatsvinden. Daarbij is
bovendien niet onbegrijpelijk dat er juist werd gekozen voor
die mensen die met een positieve instelling bereid waren zich
naar vermogen volledig in te zetten, zoals telkens bij de
selectie is benadrukt en door eisers lijkt te worden
bekritiseerd. Niet is komen vast te staan dat er sprake is
geweest van het uitsluiten van (gedeeltelijk)
arbeidsongeschikten, omdat die categorie ook onder de 110 te
vinden is. Evenmin is aangetoond dat sprake is geweest van
willekeur in die zin dat bij de selectie personen zijn
afgevallen die op de genoemde criteria beter scoorden dan
personen die wel over mochten naar SPANO. Kortom, de in het
selectieproces gemaakte fouten rechtvaardigen, mede gelet op
de omstandigheden van het geval, niet de conclusie dat de
opzeggingen 'een jaar later' om die reden kennelijk onredelijk
waren.
4.4 Ad 5.1. a.: In het licht van de voorgeschiedenis, die de RDA
ambtshalve genoegzaam bekend was, kan er geen sprake zijn van
een valsheid van informatieverstrekking door SPAN aan de RDA
in de zin van misleiding op vitale onderdelen. De RDA wist
immers, net als eisers, dat de havenpool-ondernemingen die de
revue waren gepasseerd alle met grote moeilijkheden van
financiële aard waren geconfronteerd. Dat was immers de
oorzaak van het faillissement van AAN B.V. en mitsdien van de
constructie die met het hoofdlijnenakkoord in het leven was
geroepen: de oprichting van SPAN als aanloop-, scholings- en
selectie-organisatie en de feitelijke doorstart nadien door
een nieuwe organisatie, die SPANO is geworden. Door de
uitvoering van het hoofdlijnenakkoord is het werk overgegaan
van SPAN naar SPANO en was er mitsdien na ommekomst van het
laatste (voortzettings-) jaar geen werk meer bij SPAN zelf.
Hetzelfde geldt voor de inkomsten die immers door dat werk
gegenereerd zouden moeten worden. Die gingen (met het werk)
naar SPANO en niet (meer) naar SPAN. Daarvan kan SPAN geen
verwijt worden gemaakt, niet alleen omdat de economische
omstandigheden niets anders mogelijk maakten, maar ook al
omdat dit nu juist bij de oprichting van SPAN al
verdisconteerd was, hetgeen de voldoende geïnformeerde ex-AAN-
medewerkers (waaronder eisers) bekend moet zijn geweest.
Tenslotte is voldoende komen vast te staan dat de vakbonden
zijn uitgenodigd voor overleg over het voorgenomen collectief
ontslag, doch dat die dat overleg uit de weg zijn gegaan. Dit
kan, nu terzake geen andere feiten zijn gebleken, SPAN niet
verweten worden. In het midden kan blijven of het overleg met
de OR telkens tijdig is geweest nu voldoende duidelijk is
geworden dat de OR wel is geïnformeerd, maar het er vervolgens
zelf - in ieder geval in rechte - bij heeft gelaten.
5 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de opzeggingen
door SPAN van de arbeidsovereenkomsten met eisers niet
kennelijk onredelijk waren. Niet is gesteld of gebleken dat de
Rolnummers: 20431-99, 4425-00 en 5689-00 10
gevolgen voor eisers, die al gedurende het jaar voorafgaande
aan het ontslag door SPAN waren gematigd, terwijl er in feite
onvoldoende werk voorhanden was, zwaarder waren dan de
gevolgen voor SPAN indien geen ontslag was gevolgd. Bovendien
is niet gesteld of gebleken dat SPAN over voldoende middelen
beschikte om de werknemers nog een aanvullende
afvloeiingsregeling te doen toekomen (waar overigens ook geen
schadevergoeding gevorderd is).
6. De vorderingen aangeduid met III. en IV. zijn vooralsnog
onvoldoende geconcretiseerd om daarop nader te kunnen
beslissen. Eisers zullen, als door hen is verzocht, in de
gelegenheid worden gesteld om de eis op individuele basis
nader te specificeren (waar het om betaling van een geldsom
gaat). Waar SPAN bij dupliek heeft aangegeven dat het haar
niet geheel duidelijk is waarop eisers doelen met de
formulering van het petitum wordt eisers verzocht dit in de
door haar te nemen akte alsnog te verduidelijken. Gedaagde kan
vervolgens op de nadere informatie reageren, waarna opnieuw
vonnis zal worden gewezen.
Beslissing
De vorderingen van Smit worden afgewezen.
De vorderingen van de overige eisers (1. t/m 26.) hiervoor
aangeduid als vorderingen I en II (a. en b.) worden afgewezen.
De zaak wordt verwezen naar de rolzitting van 5 juni 2001
teneinde eisers in de gelegenheid te stellen zich nader uit te
laten als hiervoor overwogen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Aldus gewezen te Amsterdam door mr. H.Th. van der Meer,
kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting
van 8 mei 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.
De Griffier van het Kantongerecht te Amsterdam
|