Flexibilisering - ontwrichting arbeidsverhoudingen
Einde havenpool, comeback losse havenarbeid
Hans Boot 1
De Nederlandse havens kennen een lange geschiedenis van losse arbeid. Stond een groot deel van de twintigste eeuw in het teken van de terugdringing, in de afgelopen twee, drie decennia is een terugkeer te zien. Zij het in de moderne, flexibele vorm van uitzendbedrijfjes, zelfstandigen zonder personeel en koppelbazen. De teloorgang van de havenpool in Rotterdam en Amsterdam is daarvan een uitdrukking. Die pool voorzag in een arbeidersvriendelijke flexibiliteit door op aanvraag van havenbedrijven onder reguliere arbeidsvoorwaarden ervaren arbeiders beschikbaar te stellen.
Karakteristiek voor de havens is een onregelmatig goederenvervoer (weersomstandigheden, oogsten) en dientengevolge een schommelende vraag naar arbeidskracht. Losse arbeid, variërend in omvang en duur, was lang de gebruikelijke vorm om de pieken en dalen te reguleren. Onbesproken bleef die arbeid niet. Tijdens de parlementaire arbeidsenquête van 1890 met havenarbeiders aan het woord, schrok de onderzoekscommissie van de "onmenschelijke" toestanden in de havens. Van de weeromstuit pleitte ze voor de omzetting van "los" in "vast volk" onder de vlag van een gemeenschappelijk bedrijf waarvan havenondernemers wisselende aantallen arbeiders 'inleenden'.
De ondernemers zagen niks in dat voorstel, hun concurrentie verhinderde mogelijke samenwerking. Maar ruim vijftig jaar later namen ze het over uit vrees voor de sociale onrust die zij na de Tweede Wereldoorlog verwachtten. Dat werd de Stichting Samenwerkende Havenbedrijven (SHB, havenpool). De historische gang daarvan - voorgangers en opvolgers - heb ik beschreven door met een blik 'van onderen' de havenarbeiders, hun lotgevallen, strijd en vakbonden over ruim een eeuw op de voet te volgen. 2 Hier beperk ik me tot de Amsterdamse situatie na 1945 en enkele opmerkingen over de recente jaren van de SHB en haar nakomelingen.
Financiering leegloop
De Amsterdamse ondernemers, verenigd in de Scheepvaartvereniging Noord (SVN), gebruikten de oorlogsjaren om de SHB voor te bereiden. Hun doel was niet de beëindiging van de losse arbeid, maar controleerbare arbeidsverhoudingen. Die controle ontbrak bij de losse havenarbeiders die zich niet aan een specifiek bedrijf gebonden achtten en ook werk buiten de haven aanpakten. Ze werkten veelal op basis van stukloon dat ze door directe actie (vlak voor het lossen/laden van een schip of juist als dat al aan de gang was) trachtten te verhogen. Een regelmatiger en stabieler loon via een vast arbeidscontract bij de SHB, redeneerde de SVN, kon die arbeiders met de 'losse levensstijl' in het gareel brengen.
Eén probleem kostte heel wat hoofdbrekens: wat te doen met de situatie dat er voor één of meer SHB'ers geen werk was (leegloop)? De oplossing was klassiek 'tripartiet': een deel van het loon betaalde de overheid, een ander deel de gezamenlijke ondernemers en ter 'afronding' ontvingen de arbeiders 80 procent van hun dagloon. In de halve eeuw dat de SHB bestond, onderging deze regeling wijzigingen. En dat niet alleen, ze vormde een centraal twistpunt. Zo steeg onder invloed van het verzet tegen de naoorlogse loonpolitie(k) het leeglooploon in 1962 naar 100 procent. Niet lang daarna, onder de kruitdampen van de grote havenstaking van 1970, twijfelden de opeenvolgende ministers van Sociale Zaken aan de voortzetting van de overheidsbijdrage. Na vervanging door het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWF) kwam in 1995 na veel strijd een einde aan deze financiering van een ondernemersrisico. Tijdens de jaren van de grote herstructurering van de havensector, na de staking van 1979, verdedigden ondernemers tevergeefs een leeglooploon van 70 procent. Met de latere verdwijning van de havenpool was dat niet meer nodig, de daarvoor gedeeltelijk in de plaats gekomen moderne losse arbeid verlaagde de loonkosten aanzienlijk.
Terugtrekkende overheid
De overheidsbemoeienis met de SHB was niet toevallig. Enerzijds maakte ze als loonsubsidie deel uit van de opbouw van de verzorgingsstaat; de SHB was lange tijd de spil van de havenwerkgelegenheid, ongeveer de helft (1957: 3.300 arbeiders) van het totaal. Anderzijds steunde de overheid de havenbedrijven; onder meer met massieve investeringen in de infrastructuur.
Die bemoeienis kwam voort uit de strategisch - economisch en politiek - cruciale status van de havens. Een positie die tevens een gevoeligheid inhield voor stakingen en andere breuken in de sociale verhoudingen. Gecombineerd met de aard van de havenarbeid - fysiek, gevaarlijk, zelfstandig, improviserend, samenwerkend in onderlinge afhankelijkheid - lag er een bodem van solidariteit en strijdbaarheid. Dat gold in het bijzonder voor de ongebonden poolarbeiders, ze vormden met hun ervaringen en contacten in meerdere bedrijven een vitale schakel in acties en stakingen. Het gedwongen vertrek uit de haven betekende dan ook meer dan een verlies van arbeidsplaatsen (1995: 350). Het sloeg een bres in de strijdbaarheid.
De intrekking van de overheidssteun paste in het neoliberale, eerste paarse kabinet van Kok, evenals de algemene doorbraak van de flexibilisering in de vorm van uitbesteding, tijdelijk arbeidscontract en verbrede inzetbaarheid (plaats, tijd en functie). De poolarbeiders kampten echter al eerder met ondernemerseisen voor een ruimere beschikbaarheid en de tijdelijke inschakeling tegen ongunstiger arbeidsvoorwaarden van 'derden' (arbeiders niet in dienst van de SHB). Eigenlijk was dat één van de rode draden door hun geschiedenis, ook in de tijd dat in de bedrijfswereld de term 'flexibiliteit' niet gangbaar was.
Flexibilisering
Ondanks het formele einde van de losse havenarbeid bediende de SHB zich tot 1956 bij hoge pieken van de goedkope Dienst Uitvoering Werken (DUW), de werkverschaffing die arbeiders voor een dag of langer 'uithuwelijkte'. In die tijd waren onder invloed van de lage lonen en arbeidsproductiviteit veel arbeiders nodig. Dat veranderde na de loonexplosie in de eerste jaren zestig. Investeringen in mechanisering joeg de arbeidsproductiviteit omhoog en het personeelsbestand omlaag. Voor de periode 1960-1980 betekende dat in Amsterdam bij een ruime verdubbeling van de overslag een daling van zo'n 6.000 naar 2.000 havenarbeiders, met daarbinnen de SHB van 2.800 naar 850. Deze kaalslag stelde de bedrijfsvoering van de SHB zwaar op de proef.
Ook al verminderde de onvoorspelbaarheid van de goederenstroom, onder meer door betere communicatiemiddelen, de pieken bleven bestaan en werden ten opzichte van het aantal SHB'ers scherper. In Amsterdam waren dat de snel te lossen autoboten met een strak vaarschema en de cacaobonen gedurende de winter. De directie sprak namens de ondernemers de behoefte uit aan een 'zwevende reserve': tijdelijk op te roepen arbeiders, altijd paraat en alleen loon bij werk.
Onder veel kritiek van de leden gingen de bonden in 1974 akkoord met een dergelijke regeling. Tien jaar later zorgde de Zaanse los- en laadploeg Het Kappie voor deze 'inleen van derden'. Hoewel de organisatie in handen van de SHB bleef, verloor ze haar monopoliepositie als havenarbeidsvoorziening. Bovendien lokten juist deze perioden van tijdelijke personeelskrapte uitzendbedrijfjes en koppelbazen naar de haven, waarvan de ondernemers onreglementair en gretig voor minder geld arbeiders 'inhuurden'.
Naast deze 'flexibele uitbesteding', ook wel 'vreemde arbeid' genoemd, richtte de directie haar beleid op een intensievere benutting van arbeidskracht. Oftewel opdraven als er werk is, bijvoorbeeld door overmatig overwerk en verplichte nachtdiensten, of via het jaagsysteem 'klaar naar huis'. Een verdeeldheid onder het personeel - meer inkomen òf meer mensen - was het gevolg van deze ontregeling van de arbeidsverhoudingen. De ondernemingsraad trad af en kreeg bijna een jaar lang geen opvolger, het ziekteverzuim naderde regelmatig de 20 procent, de sociale akkoorden die de Vervoersbond FNV in de tweede helft van de jaren tachtig afsloot, stuitten op een groeiende weerstand.
Die akkoorden trachtten een uitweg te vinden tussen aan de ene kant een verdere vermindering van de personeelsomvang en aan de andere kant de flexibele opvang van de extra pieken. Dat laatste werd mogelijk, doordat het AWF de leegloop tijdens de vijf maanden cacaopiek financierde. Het eerste, onder de voorwaarde van 'geen gedwongen ontslagen', omvatte het vervroegde vertrek van oudere arbeiders, een gedeeltelijk uit het loon gefinancierde arbeidstijdverkorting en de tijdelijke opname door de SHB van elders overbodig verklaarde arbeiders (ook weer met AWF-steun).
Bond geen koploper
Een enthousiast onthaal van de leden kregen de akkoorden niet. Ze waren zo 'uitonderhandeld' dat slechts aanvaarden (slikken) of afwijzen (stikken) resteerde. Bondsnota's voor een landelijke SHB om de pieken in de tijd te spreiden en een paritair bestuur om invloed uit te oefenen, kregen na jaren debatten geen steun van de leden. Gebonden aan de akkoorden bleek de bond in het verzet tegen de om zich heen grijpende flexibilisering geen koploper. Ook niet bij het onderzoek naar de gezondheidsschade door de bij het transport van cacaobonen gebruikte bestrijdingsmiddelen; buiten de bond om weigerden arbeiders verdachte lading te lossen.
De verhoudingen binnen de Vervoersbond stonden dus op scherp. En dat terwijl de SHB wankelde, toen bedrijven de gegarandeerde afname van SHB'ers verminderden. De SVZ beraadde zich op een SHB "nieuwe stijl", wanneer de bijdragen van het AWF zouden stoppen. Het moest kleiner, flexibeler, goedkoper en marktconform. De SHB was daartoe niet in staat en werd in 1995 omgezet in een Besloten Vennootschap, hier kortweg Arbeidspool genoemd. Na een ogenschijnlijk flitsend begin, was dit uitzendbedrijf een kort en mistig leven beschoren. De besteding van de door de overheid verstrekte overbruggingsgelden was duister, de tarieven waren om de ondernemers te gerieven te laag berekend en andere uitzendbedrijven met een beschikbaarheid van zeven etmalen namen steeds meer werk over. Een faillissement was in aantocht.
De poolarbeiders antwoordden met een serie heftige acties, soms samen met de Rotterdamse collega's. Wegblokkades, 24-uursstaking, bezetting Amsterdams stadhuis, gebouw Tweede Kamer en Noordersluis in IJmuiden. Uit moeizame onderhandelingen rolde eind 1997 de doorstart van een nieuw uitzendbedrijf met drie bondsbestuurders in de pikante positie van werkgever. Een werkgever die begin 1999 bijna de helft - 96 man - moest ontslaan. Een groep van 26 arbeiders verzette zich daar tegen in een jarenlange juridische strijd die een wat spookachtig karakter kreeg. Door het faillissement van zowel een groot containerbedrijf als de nieuwe pool vervlogen hun kansen op terugkeer in de haven. Begin 2012 bepalen onderhandelingen met de landsadvocaat de schadevergoeding vanwege de trage rechtsgang.
Slotopmerkingen
Rest de vraag of het einde van een pool die oorspronkelijk op een arbeidersvriendelijke flexibiliteit rustte, onvermijdelijk was. Er zijn namelijk nogal wat ontwikkelingen die dat doen vermoeden. Zoals: minder fysieke arbeid, meer containers (ook cacaobonen) en massagoed (natte bulk), terminals dichter bij het achterland en havens als multimodaal logistiek centrum (dichtbij of zelfs voor de kust). Dus gewijzigde en verplaatste havenarbeid. Maar deze vooral technische veranderingen verklaren niet: de ontbinding van de ook voor de pool geldende haven-cao, de toegenomen interne flexibiliteit van de havenbedrijven en de comeback van de losse arbeid. En helemaal niet dat de Vervoersbond (later FNV Bondgenoten) deze sociale veranderingen, toegespitst op arbeidersonvriendelijke flexibiliteit, begeleidde en nauwelijks bestreed. Of sociale akkoorden afsloot die met de sociale rust op de korte termijn tot onoplosbare problemen op de langere termijn leidden. Steeds een beetje flexibiliteit, resulterend in ontwrichte arbeidsverhoudingen. Met als - nooit geëvalueerd - dieptepunt: de ontslagdaad en de extreme rechtvaardiging daarvan voor de soms verbaasde rechter.
|
1 | Eerder, januari 2012, verschenen in Spanning, Uitgave van het Wetenschappelijk Bureau van de SP. (terug)
|
|
2 | Hans Boot, Opstandig volk. Neergang en terugkeer van losse havenarbeid, Amsterdam 2011. Uitgever: Solidariteit, redactie@solidariteit.nl. Prijs, inclusief verzendkosten: 26 euro 75. (terug)
|
|