Gezag is gezag en door God opgelegd
Grondwet veranderd
Toen op 24 september 1946 het eerste troepentransportschip naar Indonesië
zou vertrekken, kwam een groot deel van de dienstplichtigen niet opdagen.
Zij besloten geen gebruik te maken van de gelegenheid 'wat van de wereld
te zien'.
"Ze leiden aan horizonvernauwing", zou later de aan de weigeraars toegevoegde
landsadvocaat W. Schuurman Stekhoven zeggen, toen hij de Indonesië-weigeraars
moest verdedigen voor de Krijgsraad te Velde-West in Rotterdam.
In de periode 1946-1949 zijn van de vierduizend Indonesië-weigeraars
er 2.600 berecht en veroordeeld tot straffen van twee maanden tot vijf
jaar.
In de Geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog schrijft L. de Jong echter dat er veel meer deserteurs
geweest moeten zijn. Want "velen werden vrijwel onmiddellijk opgepakt nadat
zij niet van het inschepingsverlof waren teruggekeerd, en werden dan alsnog
aan het transport toegevoegd."
"De oorlogsvrijwilligers van het eerste uur gingen met het doel van een
bevrijding van Indië voor ogen, de vrijwilligers van het tweede uur
en de dienstplichtigen die in 1946 waren opgeroepen hadden het vooruitzicht
van een strijd tegen Indonesiërs, voor orde en rust weliswaar, maar
toch ook tegen een onafhankelijkheidsbeweging." 1
Om dienstplichtigen naar Indonesië te kunnen sturen, was het nodig
geweest de Grondwet te wijzigen. Oorspronkelijk luidde Artikel 192 van
die Grondwet namelijk dat dienstplichtigen niet dan met hun toestemming
naar overzeese gebiedsdelen gezonden konden worden. Door de Londense regering
was dit artikel in het laatste oorlogsjaar door een Koninklijk Besluit
buiten werking gesteld. Maar ook na de capitulatie van Japan bleef de
regering zich op dit besluit beroepen.
Schermerhorn was in januari 1946 wel genoodzaakt de tekst van
artikel 192 te veranderen in: "Dienstplichtigen te land mogen zonder hun
toestemming niet dan krachtens een wet naar Nederlands-Indië, Suriname
en de Nederlandse Antillen gezonden worden". Het recht om te weigeren
om in de overzeese gebiedsdelen ingezet te worden werd uit de Grondwet
gehaald. Hoewel fractievoorzitter Tilanus van de in de oppositie verkerende
CHU daarover 'in zijn boezem' strijd moest voeren, en de AR vasthield aan
Romeinen 13 - gezag is gezag en door God opgelegd - werd op een heel enkele
uitzondering na voor de verandering gestemd. Alleen de fractie van de CPN
stemde in z'n geheel tegen. Namens de PvdA verklaarde jonkheer Van der
Goes van Naters: "Er zal geen man meer of minder in dienstverband naar
Indonesië worden gezonden, al of niet met een artikel."
De aldus veranderde tekst in de Grondwet moest echter ook nog na de
algemene verkiezingen van mei 1946 in laatste instantie door het nieuw
gekozen parlement worden goedgekeurd. Dat kon in oktober 1946 pas gebeuren.
Daarna zou de Eerste Kamer haar fiat nog moeten geven.
Maar van 19 oktober tot eind november 1946 zagen Indonesiërs schepen
met Nederlandse troepen aan boord arriveren en het ene na het andere troepenonderdeel
ontschepen. "Het ontging de Republikeinse militairen niet, dat het leeuwendeel
van de nieuwe troepen van de '7 December divisie' (35.000 man) in West-Java
werd geconcentreerd. Dit gebied werd in feite één groot Nederlands
bruggenhoofd." 2
Een jaar later - in augustus 1947 - werd de wetswijziging in het Staatsblad
afgedrukt en was daarmee pas vanaf dat moment rechtsgeldig. Toen waren
al bijna honderdduizend dienstplichtigen in Indonesië en was de eerste
'politionele actie' al uitgevoerd. Met de wijziging van artikel 192 in de
Grondwet was meteen de dienstplicht verlengd van elf maanden tot drie jaar.
Uiteraard beriepen de dienstweigeraars van 1946 zich op de onrechtmatigheid
van uitzending. Hulp kregen ze onder meer van de in Hilversum wonende J.W.
Pootjes. Hij was verbonden aan een antimilitaristische gemeenschap van
gelovigen, "De Vredesstichters". Pootjes - orgelbouwer, musicus, kunstschilder,
maar bovenal idealist - had de Grondwet bestudeerd. Hij kwam daardoor,
met zoveel anderen, tot de conclusie dat het wettelijk kader voor uitzending
van dienstplichtige soldaten ontbrak. Hij stelde z'n huis beschikbaar als
vrijplaats voor Indonesië-weigeraars.
Inmiddels hadden honderden weigeraars,
ook op aanraden van Pootjes, hun uniform, netjes ingepakt naar het Ministerie
van Oorlog teruggestuurd.
Ondanks een voor de AVRO-radio gehouden praatje, waarin nadrukkelijk
werd gezegd dat "iedere Nederlandse soldaat, die op dit ogenblik vertrekt
naar het verre en gevaarlijke Java, een uiterst belangrijke taak heeft."
3
Er waren meer groeperingen bezig de onrechtmatige troepenuitzendingen
tegen te houden. Door de Vereniging Nederland-Indonesië werden door
duizenden mensen bezochte protestvergaderingen gehouden in de grote steden.
Ook de in Nederland actieve Indonesische vereniging Perhimpunan
Indonesia deed in die periode een beroep "op allen die de jaren van
de Duitse bezetting te verduren hadden, nu ook te beseffen wat het betekent
als mens en volk te kunnen leven in een vrije wereld." De autoriteiten
vonden dit verwijt zeer onaangenaam en elke vergelijking met de bezettingstijd
werd resoluut afgewezen. "Wat Nederland in Indië bracht en brengen
wil, is vrede, welvaart en waarborg voor de handhaving van de menselijke
waardigheid." 4
Alleen vir blankies...
Hoe zat het met die waarborg voor menselijke waardigheid in Nederlands-Indië?
E. Utrecht geeft het aan in haar roman Twee zijden van een waterscheiding.
"Het zwembad Selecta - in de bergen nabij Malang - stelde op een weekdag
zijn zwembad open voor iedereen, inclusief 'alle oosterlingen'. Dat was
op de dag voor de wekelijkse schoonmaak van het bad." 5
Een ander sprekend voorbeeld geeft de schrijfster over de Simpang Club
in Surabaya, de sociëteit voor Nederlanders.
Hier weliswaar geen bordjes met 'alleen vir blankies', maar als de
zoon van de sultan van Pontinak in de club verschijnt, wordt hem discreet
te verstaan gegeven dat de gelegenheid alleen voor blanken is. Hij dient
dus te vertrekken.
"Zonder enige rimpeling in de glanzende chique van de Surabaya jetset
in de zaal was binnen een kwartier Arkadri - zelf in een smetteloos uniform
van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger gestoken - met zijn gezelschap
uit de zaal verdwenen. Je zou het niet geloven als je er niet zelf bij
geweest was", aldus E. Utrecht.
En dat gebeurde toch jaren nadat zelfs Colijn, na een bezoek aan Nederlands-Indië,
er zijn verwondering over uitsprak dat het in bepaalde streken van Java
voor inlanders verboden was op een ongezadeld paard te rijden.
In de door het koloniale bestuur geregelde Volksraad hadden de vertegenwoordigers
van de bijna 70 miljoen Indonesiërs evenveel zetels als de vertegenwoordigers
van de 200.000 Europeanen en de één miljoen 'vreemde oosterlingen'.
"Gemeten naar de norm van een egalitaire democratie bevredigen deze
cijfers uiteraard niet". De constatering is van P.J. Drooglever op
een in 1982 in Den Helder gehouden symposium over de val van Nederlands-Indië.
De zetelverhouding in die Volksraad gaf overigens nog een geflatteerd
beeld van de positie van de oorspronkelijke bewoners van het eilandenrijk.
De sleutelposities werden sowieso door Nederlanders bezet. "Het landsinkomen
werd voor de helft door de Indonesiërs opgebracht, de 'buitenlanders'
zorgden voor de andere helft." 6
Dat wat de Indonesiër aan waardigheid ten deel viel door het zogenaamde
menselijke Nederlands kolonialisme, was dat hij feitelijk tot Untermensch
werd gedegradeerd. Of zoals J.P. Sartre het zei: "Er zijn geen goede
of slechte kolonialisten, er zijn alleen kolonialisten."
Noten
|
1 |
J. Bank, De katholieken en de Indonesische revolutie, Baarn 1983.
(terug)
|
|
2 |
J.J.P. de Jong, Diplomatie of strijd, Amsterdam 1988.
(terug)
|
|
3 |
H.W.J. Picard, De waarheid over Java, Avro-radio causerie, juli 1946.
(terug)
|
|
4 |
J.W. Meijer Ranneft, De weg voor Indië, Amsterdam-Brussel 1945.
(terug)
|
|
5 |
E. Utrecht, Twee zijden van een waterscheiding, Amsterdam 1991. Pag. 41.
(terug)
|
|
6 |
P.J. Drooglever, De val van Nederlands-lndië, Dieren 1982.
(terug)
|
|