Hans Boot
Ooit vaag wel eens gehoord van de Ondernemingskamer en ineens stond daar 3 juni jongstleden onze bloedeigen FNV als aanklager èn aangeklaagde. Het gaat om een onderdeel van het Gerechtshof Amsterdam met als taak: (juridische) geschillen in Nederlandse vennootschappen te beoordelen om tot bindende uitspraken te komen. Wat doet de FNV daar?
Het werk van de Ondernemingskamer blijkt meer te omvatten. De geschillen kunnen bijvoorbeeld ook gaan over de verhouding tussen de bedrijfsleiding en de in dienst zijnde werkers, al of niet vertegenwoordigd door de ondernemingsraad en/of vakbond.
In het specifieke geval van de FNV tracht de vakbond van het personeel ('aanklager') de organisatiecrisis die in februari van dit jaar uitbrak, te bezweren via de Ondernemingskamer. En wel door de eerder twee maal uitgestelde verkiezing van een nieuw bestuur en een nieuwe bestuursstructuur te eisen. Overigens daarin gesteund door de ondernemingsraad en vertegenwoordigers van sectoren. De eisen waren gericht tot: 1) het inmiddels tweede interim bestuur en 2) de Raad van Toezicht die nog uit één lid bestond ('aangeklaagden'). Kennelijk in de verwachting dat de impasse door de bevoegdheden van de Ondernemingskamer te doorbreken is, ook al is de positie van de 'aangeklaagde' niet indrukwekkend.
Tekenend voor de geblokkeerde interne verhoudingen binnen de FNV is dat niet alleen de personeelsvakbond zich door een advocaat laat vertegenwoordigen. Hetzelfde doen het Ledenparlement, de Raad van Toezicht, de ondernemingsraad, de sectorraden, het interim bestuur en de directie. Zeven te betalen advocaten dus. Kortom, een 'dubbele uitbesteding' van de probleemoplossing: zowel aan de advocaten als aan de Ondernemingskamer. De rechters schromen dan ook niet hun verbazing uit te spreken dat een gezaghebbende vakbond als de FNV er een pokkenbende van maakt. En het zelf niet kan oplossen, zodat de ondernemingskamer toezichthouders moet parachuteren. (de Volkskrant, 4 juni 2025)
Schrijnend is dat de tien dagen die de Ondernemingskamer nodig had om op 13 juni tot bindende besluiten te komen, samenvielen met de stakingen op het spoor. Dus een periode van afhankelijk wachten, van gebrek aan eigen kracht, terwijl de leden hun werk deden.
Achteraf is het besluit van de Ondernemingskamer, niet verrassend, aan de eisen wordt tegemoet gekomen. Twee aan te stellen tijdelijke leden bij de Raad van Toezicht, nieuwe bestuursverkiezingen en een onderzoek naar de crisis. Hoewel nog niet met namen genoemd, 'wonderdokters' zullen het niet zijn. Des te relevanter is de vraag wat van hen verwacht kan/moet worden.
Minimaal liggen kennis van en ervaring met de vakbeweging voor de hand. Maar dan duikt de stelling op van het onderzoeksbureau dat eerder de 'sociale onveiligheid' onderzocht en die onder meer toeschreef aan een naar binnen gekeerde strijdbaarheid. De onderlinge verhoudingen in de vakbeweging zouden de onverbiddelijkheid en de scherpte kennen zoals die ten opzichte van de ondernemers gebruikelijk waren. Een merkwaardige conclusie die voorbijgaat aan de geschiedenis en actualiteit van de vakbeweging die immers meer coöperatief dan confronterend is, meer meedenkt dan tegenspreekt. Strijdbaarheid is immers geen vanzelfsprekendheid, maar vergt zowel woorden als daden die van invloed zijn op het nieuw aan te stellen bestuur en op de flexibiliteit van de structuur waarin dat gebeurt.
En nu maar hopen dat de toezichthouders meer doen dan een 'klus klaren'. Het aantal leden van de FNV mag dan teruglopen, maar van de potentiële kracht moeten de toezichthouders weet hebben.
Triest is dat de leden van de FNV en de aangesloten bonden mager geïnformeerd worden over de al maanden durende crisis. Te verwachten is dat er op het niveau van bedrijf, instelling, sector en locatie op zijn minst over gesproken wordt, maar veel leden moeten het hebben van de media, van krant tot televisie en die zijn niet vaak 'vakbondsvriendelijk'. Helaas is ook in die openbaarheid de FNV vrijwel onzichtbaar en geeft zo alle ruimte aan verhalen over ruzies, beschuldigingen en verdachtmakingen. Ook pogingen om de crisis te verklaren, hebben daar last van.
Bij die verklaringen sta ik hier wat langer stil. Ze zijn niet bevredigend, verwijzen naar 'bronnen' die niet onvermijdelijk tot een organisatiecrisis leiden. Is het denkbaar dat de FNV ontwikkelingen doormaakt waarvan die bronnen een uitdrukking, het resultaat zijn?
Eerst nog even kort aandacht aan de twee meest genoemde verklaringen.
Zoals bekend maakt de FNV (evenals onder meer het CNV) een negatieve ontwikkeling door die in ieder geval de laatste jaren niet te keren is: een ledenverlies en een daling van de organisatiegraad (CBS).
Pogingen om deze neergang te stuiten, leiden niet tot het gewenste resultaat en versterken onbedoeld de problemen. Stijgingen van het ledenaantal worden gekoesterd, maar blijken tijdelijk. De werking van campagnes is snel uitgedoofd. Het geheel van de FNV wordt geraakt. Ontslagen zijn niet te voorkomen, een sfeer van 'ieder voor zich' is onontkoombaar en zoals elders worden de onderlinge verhoudingen er niet beter op. De bureaucratie lijkt een verdedigingslinie.
Kortom, wat veelal beschouwd wordt als de bronnen van een organisatiecrisis zijn eerder uitdrukkingen, symptomen van een bestaanscrisis van de FNV. Laat dit een tip zijn aan de toezichthouders: nieuwe verkiezingen en structuren zullen de FNV niet tot leven brengen. Meer kans maakt een breed opgezet onderzoek naar de ervaringen en opvattingen van de leden.