Welkom Commentaren

Solidariteit - Commentaar 567 - 28 juni 2026

Onbalans

Joop Zinsmeister

Sinds 1 januari van dit jaar is de vernieuwde versie van de Participatiewet van kracht: de Participatiewet in balans. Wie er vanuit gaat dat na alle miskleunen nu wel duidelijk is dat de uitgangspunten van de wet niet houdbaar zijn, komt bedrogen uit.

Om te beginnen, geen enkele twijfel aan marktwerking. Net zoals in de oude wet blijft ook in de nieuwe het individu volledig verantwoordelijk voor het eigen falen, de markt en het (economische en sociale) systeem blijven onfeilbaar. De mensen hebben het nakijken. De wet is slechts de weerslag van de dominante visie over de werkenden in de samenleving.

Wat eraan vooraf ging

De industriële revolutie, in Nederland rond 1850, bracht enkelen voorspoed en velen sociale ellende. De beroerde arbeidsomstandigheden in de negentiende eeuw gingen onder andere gepaard met armoe, hongersnood, woningnood, kinderarbeid en een lage levensverwachting. Deze Sociale Quaestie vroeg om een herinrichting van de samenleving, maar dat ging niet zomaar. Van het vrouwenkiesrecht tot de achturige werkdag, van het einde van de kinderarbeid tot ontslagbescherming, van het einde van de wettelijke homodiscriminatie tot recht op vakantie. Altijd gingen moedige mensen de strijd aan en wisten zich vervolgens te organiseren in sociale bewegingen, zoals de suffragettes of de vakbeweging. Zij streden overigens voor verworvenheden die we actief moeten beschermen, want ze zijn kwetsbaar.

We zien dat 1980 zo’n beetje het omslagpunt is. Na jarenlange strijd zijn er dan verworvenheden als een representatieve democratie, kwalitatief goed onderwijs dat voor velen toegankelijk is en verbeterde arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden. Er kwamen zelfs pensioenvoorzieningen en we kennen inmiddels allerlei sociale grondrechten, zoals recht op wonen en bestaanszekerheid, waaraan actief uitwerking wordt gegeven. De kloof tussen arm en rijk is enigszins geslecht door een progressieve inkomstenbelasting tot wel 92 procent voor de allerrijksten, in combinatie met vermogens- en erfbelastingen. We zien dat de aanvallen op de verworvenheden sinds 1980 steeds weer opnieuw worden ingezet en steeds verder gaan. Het onderwijs, de pensioenen, de arbeids- en inkomenszekerheid en de democratische rechten staan al een tijd onder druk, de rijken betalen nauwelijks meer belasting.
Regelmatig zien we het voorbeeld terug dat de belastingen zo zijn vormgegeven dat een directeur minder belasting betaalt dan de werkenden, maar wel met een veelvoud naar huis gaat. Het loonaandeel (percentage van het nationaal inkomen dat naar lonen gaat) is gezakt van 62 procent in 1980 naar 52 procent nu. Het eind van deze dalende trend is nog niet in zicht.

De markt heerst

Aan de vermarkting van publieke diensten sinds 1980 hebben enkelen goed verdiend; collectief lijden we het verlies. De enorme vermogenskloof in Nederland neemt alleen maar toe. De toegankelijkheid van het (hoger) onderwijs staat al jaren onder druk en die druk neemt alleen maar toe. En nadat de overheid afscheid nam van de volkshuisvesting voor iedereen en daarvoor in de plaats een woningmarkt voor tweeverdieners heeft ingericht, zijn betaalbare woningen voor velen onbereikbaar.

Sinds op het terrein van de sociale zekerheid het wantrouwen heerst ten opzichte van de mensen die niet zelfstandig met werk voldoende inkomen verdienen om van te kunnen leven, blijkt dat juist de overheid niet te vertrouwen is. De toeslagenaffaire laat zien dat de meest kwetsbare mensen de dupe zijn van een overheid die systemen belangrijker vindt dan mensen. De vermarkting van de arbeid leidt tot een problematische groei van het aantal flexwerkers. Arbeidsmarktdeskundigen schatten ‘off the record’ hun aandeel op meer dan 50 procent. Complete functies van vakmensen zijn opgeknipt in simpele taken en verpakt in handelingsprotocollen. Dat zorgt voor arbeidssituaties, waarin registratie en controle domineren. Met camera’s, 'tablets' en 'dashboards' wordt elke handeling vastgelegd om aansprakelijkheidsrisico’s te minimaliseren. Vakmensen met vaak jarenlange ervaring beleven een toenemende bureaucratisering, verlies van autonomie en afnemende professionele erkenning. Zij verliezen zo de ruimte om hun opgebouwde vakkennis en probleemoplossend vermogen in te zetten.
Met de opmars van flexwerk neemt de standaardisatie en protocollering toe, waardoor veel sociale aspecten van het werk langzaam komen te vervallen. Managers zonder kennis van zaken bepalen hoe op voor hen controleerbare wijze het werk verricht wordt. Daarbij worden allerlei competitie-elementen (wie is het snelst, efficiëntst, enzovoort) steeds belangrijker. De kwaliteit van de arbeid holt achteruit.

Kwaliteit van het werk

Het vaste contract met betere arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden komt nog het meest voor bij oudere werkenden. Zij vormen inmiddels een substantieel deel van de beroepsbevolking in Nederland. Maar ook van hen heeft twee derde werk van matige tot slechte kwaliteit, blijkt uit grootschalig onderzoek (1). Conclusie: het schort aan veilige en gezonde werkplekken en het is niet al te best gesteld met de waardering, ontwikkeling en benutting van de arbeidsvermogens van deze ouderen.

Verbeteringen in de arbeidssituatie van werkenden, en ouderen in het bijzonder, vallen amper te verwachten vanuit de collectieve arbeidsovereenkomsten, meldt het grootschalige onderzoek. Deze aspecten vormen tegenwoordig nauwelijks een aandachtspunt bij de cao-onderhandelingen. Ze komen hoogstens aan de orde om oudere werkenden langer aan het werk te houden, bijvoorbeeld door arbeidstijdverkorting, deeltijdwerk en gefaseerde pensioenregelingen. De arbeidssituatie sluit over het algemeen matig tot slecht aan bij de behoeften van werkenden. De erkenning van hun kwaliteiten door de bedrijfsleiding ontbreekt. De kwaliteit van de arbeid is er slecht aan toe.

Participatiewet in balans

De vernieuwde versie van de Participatiewet gaat nauwelijks in op de kwaliteit van de arbeid. De wet neemt de huidige praktijk in de arbeidsorganisatie en op de arbeidsmarkt als gegeven en stelt daaraan geen eisen. Slechts in een enkele paragraaf, zoals die over onderwijs en het bedrijfsleven, komt de achterliggende gedachte aan de orde die ten grondslag ligt aan participatie. Om voort te kunnen bestaan, dienen onderwijsinstellingen te voldoen aan allerlei eisen. De voornaamste eis, vanuit participatieoogpunt, is dat afgestudeerden direct inpasbaar zijn in het arbeidsproces.
Aan het bedrijfsleven, ondernemers in het bijzonder, valt geen enkele eis of voorwaarde te ontdekken. Ze mogen doen en laten wat ze zelf goeddunken, als het maar leidt tot optimalisatie van het bedrijfsproces die overigens nooit de werkenden ten goede komt. De onbalans die (aankomende) werkenden ervaren tussen de door hen gewenste kwaliteit van de arbeid en de aangeboden praktijk groeit door. De arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden laten steeds meer te wensen over.

We zullen moeten ijveren om onze verworvenheden te beschermen, dan wel te herwinnen, want er is al veel afgebroken. Daartoe zullen we de dominante visie op arbeid moeten doorbreken, de Participatiewet is daar slechts een uitdrukking van. Maar dat zal niet zonder slag of stoot gaan. In het verleden heeft de vakbeweging in die strijd een belangrijke rol gespeeld. De toekomst zal leren of zij die rol weer kan oppakken.


(1) Eurofound: Keeping older workers in the labour force. Publications Office of the European Union (2025).

Stempel Solidariteit blijft