Sjaak van der Velden
Ik vind dit een moeilijke tijd. In tegenstelling tot wat we, linkse activisten van diverse pluimage, in de jaren zeventig hoopten, leven we nog steeds niet in de ideale wereld die we voor ons zagen. Natuurlijk zijn de meeste koloniën nu onafhankelijk. Ook zijn de dictatoriale regimes in Zuid-Europa en het Oostblok verdwenen. Helaas viel Rusland snel weer terug in oude gewoontes, maar ook op andere gebieden is de situatie minder florissant.
Grote bedrijven zijn machtiger dan ooit, er zijn nog steeds oorlogen, grote ongelijkheid blijft bestaan, religieus denken speelt weer een grote rol, de vakbeweging hapt naar adem en linkse politiek is niet populair. Alles wordt anders, schreven sommigen van ons ooit op de muur, maar ze hadden geen benul hoe anders. Blij ben ik er niet altijd mee. Jammer dat onze illusies van een halve eeuw geleden niet meer dan illusies waren. Veel hoop dat alles nu op onze manier anders zal worden, heb ik helaas niet voor de twintig jaar dat ik hopelijk nog meega.
Dat betekent natuurlijk niet dat je bij de pakken neer moet gaan zitten. Hoop schuilt vaak in kleine dingen. Toch blijft voor mij het grotere beeld weinig bemoedigend. Dan dringt zich vanzelf de vraag op hoe het zover heeft kunnen komen. Marxistische diehards, zoals ik, dachten vijftig jaar geleden dat het kapitalisme op zijn laatste benen liep. Lenin had het voorspeld en Ernest Mandel prentte het ons in: we leefden in het laatste stadium van het kapitalisme.
De crisis van 1973 leek die analyse te bevestigen. Het pakte anders uit. Het kapitalisme zorgde voor een ontwikkeling van de productiemiddelen waardoor de productiviteit gigantisch groeide. Enkele kapitalisten vergaarden daarmee ongekende rijkdommen. Dat is al reden genoeg voor ergernis, maar er gebeurde nog iets. Ook de vrijheid die we ooit bezongen, kwam onder druk te staan. Diezelfde superrijke kapitalisten, maar ook overheden, kregen dankzij die technieken meer kennis over burgers dan waar Gestapo en KGB ooit van droomden. Tegelijk maakten die technieken het mogelijk dat ik dit stukje in de 'cloud' schrijf en de lezers het dadelijk online kunnen raadplegen.
Het kapitalisme bleek veerkrachtiger dan we dachten. Overigens hadden onze linkse voorgangers zich ook al vergist, toen de crisis van 1929 de wereld trof. Ook in die tijd krabbelde het kapitalisme op. Toen vooral dankzij openbare werken, waarvan de oorlogsmachine de grootste was. De herstelwerkzaamheden na de oorlog zorgden voor zoveel groei dat de crisis vrijwel vergeten raakte.
Dankzij de ontwikkeling van techniek en productiemiddelen logenstraft het kapitalisme telkens weer de hoopvolle doemscenario’s van links over een instortende macht van het kapitaal. Maar er is meer. De euforie over het herstel, in de jaren negentig, de ‘nieuwe economie’ genoemd, werd door grote delen van links zelfs omarmd. Globalisering, Europese integratie en technologische innovatie zouden voor blijvende welvaart zorgen. Natuurlijk moest de overheid de scherpe kantjes van de markt afvijlen, maar fundamentele kritiek op het economische systeem verdween steeds verder naar de achtergrond.
Vrijwel de hele sociaaldemocratie bezag de ontwikkelingen met instemming. Er zouden geen crisissen meer komen, hooguit wat schaafwerk aan de mindere kantjes was nog nodig. Deze gedachte leefde binnen de vakbeweging trouwens al tijdens het herstel vlak na de Tweede Wereldoorlog; lees de geschiedenis van het NVV door Frits de Jong er maar op na.
Nu schudde ook de partij haar ideologische veren definitief af. De PvdA was tevreden, maar dat gold niet voor iedereen. Partijen als de SP bleven waarschuwen voor de groeiende ongelijkheid en de afbraak van publieke voorzieningen. Toch overheerste het gevoel dat het de goede kant op ging. De economie groeide, de werkloosheid daalde en veel mensen profiteerden van de stijgende welvaart.
Toen er ondanks de verwachtingen in 2008 toch weer een economische crisis uitbrak, zetten regeringen, inclusief de sociaaldemocratische partijen, alle zeilen bij om de crisis te beteugelen. Dat lukte en weer wreef men zich trots in de handen. Dat hadden ze hem toch maar mooi geflikt. Dat ondertussen een deel van de na 1945 verworven verzorgingsstaat was gesloopt, werd gemakshalve vergeten. Onvrede over de economische veranderingen leeft weliswaar binnen kringen van linkse clubs en de vakbeweging, maar heeft zich niet kunnen vertalen in een aanpak die deze ideeën weer op de agenda zet. Alle pogingen van de laatste decennia ten spijt heeft geen enkele aanpak, denk aan 'organizing', het tij kunnen keren. Past de aanpak die ‘we’ anderhalve eeuw propageerden niet meer bij deze fase van het kapitalisme? Ik weet het oprecht niet, maar de appel is zuur.
Maar economie is niet alles. Voor mensen zijn ook cultuur, veiligheid, leefomgeving en het gevoel ergens thuis te horen van groot belang. Ook op die terreinen is sinds de jaren zeventig veel veranderd. De grote politiek van Den Haag en Brussel, sinds 1983 aangejaagd door lobbygroepen als de "European Round Table for Industry", probeerde de Europese markt te vergroten. Door afspraken te maken met landen van buiten Europa om de vrijheid van arbeid, kapitaal en goederen te optimaliseren. Daarmee gepaard migreerden al vanaf de vroege jaren zestig veel mensen hier heen. Daardoor groeide de bevolking sindsdien fors en veranderde ook haar samenstelling ingrijpend, vooral in de grote steden. Destijds gingen velen, ikzelf inbegrepen, ervan uit dat integratie vanzelf zou verlopen. De nieuwe Nederlanders zouden vast en zeker inzien dat onze manier van leven, seculier en met oog voor vrouwenrechten, voorlopig de beste is. Misschien vergaten we echter dat die verworvenheden bij ons ook pas sinds kort waren doorgedrongen. De werkelijkheid bleek dan ook ingewikkelder.
Recente rapporten en onderzoeken van onder meer het Sociaal en Cultureel Planbureau laten zien dat veel Nederlanders met een migratieachtergrond het economisch steeds beter doen, maar dat ze zich vaak nog steeds buitenstaander voelen en zich anders gedragen dan de rest. Zo is volgens het CBS de criminaliteit onder een aantal migrantengroepen significant hoger dan onder andere bevolkingsgroepen. Achterstelling en discriminatie verklaren de verschillen voor een deel, maar culturele en religieuze factoren spelen ook mee. Over de precieze weging daarvan bestaan overigens wetenschappelijke discussies.
Die verschillen verklaren op hun beurt de onvrede bij veel autochtonen over de verandering die ze hebben gezien sinds de jaren zestig en zeventig. En dan heb ik het niet uitsluitend over de toename van het zwerfvuil. Er is meer aan de hand. Waren mensen als ik blij als er weer eens een kerk sloot en zagen we dat als vooruitgang, nu komen er moskeeën voor in de plaats. Eerwraak kwam in mijn jeugd niet voor in Nederland, nu gaat het om honderden gevallen per jaar. Dat duizenden meisjes dreigen te worden besneden is ook nieuw. We hebben het hier over ontwikkelingen die het gevolg zijn van immigratie uit landen met een andere cultuur dan we hier dankzij de strijd van links, feministen en andere groepen probeerden op te bouwen. En wat te denken van de vele bedelaars, vaak mensen van buiten. Of de afnemende homo-acceptatie en de voorzichtigheid van sommige cabaretiers om zich over bepaalde processen uit te spreken?
Allemaal culturele ontwikkelingen die ik als achteruitgang zie. Uiteraard heeft iedereen recht op zijn eigen cultuur, maar als die botsen met mijn of onze waarden dan trek ik aan de noodrem. Juist daarom ervaar ik deze tijd als moeilijk. Niet alleen omdat veel economische verwachtingen van mijn generatie niet zijn uitgekomen, maar ook omdat de culturele ontwikkeling een andere richting is ingeslagen dan wij destijds voor mogelijk hielden. Ik ben nog steeds economisch en cultureel links. Alleen is alles anders geworden.