welkom
extra
Solidariteit

Serie "Alles over de oudedagsvoorziening" - deel 10

Het 'invaren' van het nieuwe pensioenakkoord

Sjarrel Massop

Oude viermaster voorgoed ingevaren, zwart/wit foto

De omzetting van het pensioensysteem van een uitkerings- naar een premiestelsel ('invaren') levert veel complicaties op. De bewering van de FNV-leiding dat het nieuwe stelsel solidair en collectief is, moet sterk betwijfeld worden. Dat blijkt vooral uit de volgende vier onduidelijkheden. 1) De omzetting van de premie in een uitkering: het 'projectierendement'. 2) De afdekking van de beleggingsrisico’s, nog steeds geldt een kapitaaldekkingssysteem: de 'solidariteitsreserve'. 3) De risico's van de stelselomzetting op Europees niveau. 4) Het gebruik van het enorme, opgebouwde vermogen.

Dit zijn onopgeloste kwesties na de overeenkomst over de uitwerkingen van het pensioenakkoord in juli 2020. Open eindes die voor de FNV geen verdere discussie behoeft, want het zouden technische aangelegenheden en geen principiële meningsverschillen zijn. De opvattingen van de leden zijn daarbij kennelijk niet nodig.

Indexatie

Allereerst nog een keer aandacht voor de indexatie van de (aanvullende) pensioenen.
Als prijzen blijven stijgen, kunnen ze via cao's en looneisen gecompenseerd worden. Ook bij de pensioenen is compensatie mogelijk, er is echter geen te onderhandelen cao. Daarbij komt dat de overheid de pensioenfondsen heeft opgelegd dat er pas geïndexeerd mag worden, wanneer de dekkingsgraad van de fondsen dit toelaten.
In het nieuwe stelsel verdwijnen de dekkingsgraden en komt de mogelijkheid om te indexeren dichterbij. Zeker gezien de verbazing bij veel vakbondsleden dat indexatie uitblijft bij het huidige, enorme pensioenvermogen dat inmiddels oploopt naar 2.000 miljard euro. Kaderleden uit het Ledenparlement hebben dan ook bij de besprekingen over de uitwerkingen van het akkoord twee moties ingediend. De eerste gaat over de versnelde invoering van de stelselherziening; een (herstel)indexatie van de achtergebleven compensatie van de prijsstijgingen. De tweede motie stelt dat indexatie alle prioriteit in de verdere uitwerking verdient. Deze moties zijn niet in stemming gebracht. Dat zou niet nodig zijn, omdat de onderhandelaars van de vakbeweging ze hebben overgenomen. De moties worden echter niet uitgevoerd.

Voor veel kaderleden, vooral van de sector senioren van de FNV, was dat niet voldoende. De sectorraad richtte daarom de werkgroep indexatie nu (WIN) op die bezig is om die moties alsnog uitgevoerd te krijgen. De onderhandelaars zitten er erg mee in hun maag. In de praktijk blijkt dat de uitvoering niet te verwachten is. Het traject van de overgang naar het nieuwe stelsel – invaren geheten – beslaat zeker vijf jaar en voor die periode heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Koolmees) bepaald dat de dekkingsgraden aangepast gehandhaafd blijven. Namelijk wanneer ze 105 procent bedragen. Dat halen de pensioenfondsen niet en dus blijft indexatie buiten beeld. Onze onderhandelaars proberen de schade te beperken met de eis dat de AOW-uitkering omhoog moet. Dat is plezierig, maar geen reden om niet te indexeren. En daarmee is één van de problemen geschetst bij de uitwerking van het nieuwe pensioenakkoord.

Projectierendement

De ingelegde premies en de behaalde rendementen over de beleggingen, kortom het opgebouwde individuele kapitaal, wordt in het nieuwe stelsel omgezet in een levenslange uitkering. Een deelnemer koopt die als het ware in, waarbij de hoogte elk jaar opnieuw wordt vastgesteld. Daarin speelt het rendement van het vermogen van de individuele deelnemer een rol.
Een rekenvoorbeeld. Stel een deelnemer onttrekt het eerste jaar 5.000 euro aan zijn pensioenreserve. Er vindt dan een verrekening plaats. Het vermogen daalt met die 5.000 euro, maar het overgebleven bedrag wordt weer belegd, collectief, door het pensioenfonds. Dat gaat volgens een verdeling van 70 procent risicovrij en 30 procent risicovol belegd. Het rendement over het belegd vermogen wordt volgens een methodiek van rekenrente vastgesteld. Dus niet de werkelijk behaalde rendementen worden verdeeld, maar een voorzichtig ('prudent') zogenoemd projectierendement. Van het collectieve kapitaal wordt dus een deel doorgesluisd naar de individuele deelnemer. Die overdracht, die projectie vindt elk jaar plaats, waardoor geen enorm groot vermogen nodig is voor de toekomstige pensioenen. Het streven is dat de verrekening van de verstrekte uitkering gelijk is aan het projectierendement. In dat geval blijft het individuele kapitaal gelijk en bedraagt de uitkering levenslang 5.000 euro. Bij levensbeëindiging resteert een vermogen dat in het pensioenfonds blijft.

In twee opzichten verschilt deze opzet van de huidige situatie. Ten eerste, het vermogen wordt jaarlijks herzien en daarmee de uitkering. Is het rendement lager dan de verrekening van het beschikbare kapitaal, dan zakt de uitkering. Is het hoger, dan kan een deel gebruikt worden voor de indexatie van de pensioenuitkering en gaat een ander deel in een 'solidariteitsreserve' (zie verder). Ten tweede, de balans wordt jaarlijks opgemaakt en is er geen groot vermogen meer nodig.
Kortom, door de deelnemers kan eenmalig vermogen onttrokken worden aan hun pensioenreserve. In een stabiele situatie tussen 'verrekening' en 'projectierendement' blijft de pensioenuitkering op peil en kan met een dergelijke greep uit eigen kas bijvoorbeeld een hypotheek geheel of gedeeltelijk afgelost worden. Maar let wel, dit is een sigaar uit eigen doos.

Solidariteitsreserve

De solidariteitsreserve is een soort interne bank van elk pensioenfonds en kent vier functies.

  • Opbouw van de reserve via een vermogen, waarmee het fonds zijn stabiliteit kan borgen.
  • Verdeling van de reserves volgens bepaalde regels. Stel, er breekt een economische crisis uit en de rendementen van de fondsen gaan omlaag, dan dienen de individuele pensioenen zo goed mogelijk op peil gehouden worden.
  • Vaststelling van de omvang van de reserve. Deze mag niet hoger zijn dan 15 procent van het gehele vermogen van het pensioenfonds.
  • Bijdrage aan de risicodeling en solidariteit tussen generaties.

Om met het laatste te beginnen. Voor de al gepensioneerden verandert er niets, zij behouden hun uitkering. Ze worden voorlopig weliswaar niet geïndexeerd, maar dat is al meer dan tien jaar het geval. Jongeren kunnen door een arbeidzaam leven en de rendementen uit beleggingen een voldoende groot vermogen opbouwen. Voor de leeftijdsgroep vanaf 45 jaar geldt dat niet meer, deze groep kan tot de leeftijd van 68 jaar nog maximaal 23 jaar pensioenvermogen opbouwen. Een ernstig tekort van het nieuwe stelsel, vooral wanneer de rendementen tegenvallen.
Conclusie: de stelselherziening lost door de verdere individualisering geen generatieconflict op, maar kweekt er één.

Cartoon: Man met lange neus spreekt vanaf loopplank boven ravijn, toehoorder stapt van loopplank ...

Overgangskosten

De omzetting van het pensioenstelsel levert nog meer problemen op. Het akkoord gaat uit van een overgangssituatie van minimaal vijf jaar, streefdatum: 1 januari 2027. Dat betekent dat de wetgeving op 1 januari 2022 rond moet zijn. Dat zal echter, gegeven de complicaties van de vorming van een nieuwe regering, niet lukken. Dus meer overgangskosten en nieuwe aanpassingen.

Het 'invaren' is dus een kostbare operatie die geschat wordt op 60 tot 100 miljard euro. Dat komt neer op twee tot drie jaar uitkeringskosten. De bedoeling is dat deze voor rekening komen van de pensioenfondsen die immers in de nieuwe situatie geen vermogen meer aanhouden. Zo komt er 'plotseling' een bestemming van die 2.000 miljard euro in de pensioenfondsen. Opnieuw een sigaar uit eigen doos.

Europa

Marie-Christine Witteman heeft in het Pensioen Magazine van maart 2021 een artikel geschreven onder de kop Haalt het nieuwe pensioencontract 2026? Zij stelt de vraag of er wel echt sprake is van een overgang naar een persoonlijke pensioenpot bij de fondsen en schetst het probleem dat de Europese Richtlijn slechts twee typen pensioencontracten kent. Eén gericht op de uitkering (oude stelsel) en één op de premie (nieuwe stelsel). Het gevolg van dit onderscheid is dat het oude stelsel geen verzekeringssysteem is en daarmee de commercie geen toegang geeft tot deze 'markt'. Het (nieuwe) premiecontract daarentegen biedt die toegang tot commerciële instellingen wel. Het gevaar is dus zeer reëel dat de Europese Richtlijn de Nederlandse pensioenwereld oplegt een commerciële verzekeringsmaatschappij te zijn en dat dus de pensioenfondsen moeten concurreren met de bedrijven die het 'Zwitserleven' gevoel aanprijzen. Tot nu trachten de fondsen deze uiteindelijke privatisering te omzeilen door het nieuwe premiecontract als 'collectief' aan te duiden.

Witteman vindt het risico dat het pensioenakkoord bevat erg groot en betwijfelt of 'Europa' ermee zal instemmen. Dat betekent dat de Nederlandse pensioenwereld ten prooi zal vallen aan de marktwerking; een slag voor de solidariteit.

Conclusie

We schieten met de stelselherziening niets op.
Er is geen grotere pensioenzekerheid. De pensioenen werden niet geïndexeerd en zullen dat voorlopig ook niet. Het akkoord draagt niet bij aan de verbetering van de arbeidsmarkt, biedt geen enkele oplossing voor de geflexibiliseerde collega's die nog geen oudedagsvoorziening hebben en creëert spanningen tussen de generaties.
Het akkoord kent nog vele onduidelijkheden die bovendien de deelnemers uitsluiten van een verdere discussie. Het akkoord kost bergen geld en levert (toekomstige) gepensioneerden geen indexatie van de prijsstijgingen en dus een daling van hun koopkracht, Het resultaat van 'gepolder', een vakbond onwaardig.

Tot slot. Al deze chicanes van de afgelopen vijftien jaar hebben geleid tot een gezamenlijk pensioenvermogen dat nog steeds groeit, naar TWEEDUIZEND miljard euro. Een lucratieve hoeveelheid geld waarmee vermogensbeheerders wel raad weten - achter stevig gesloten deuren. Daarover meer in nummer elf van deze serie over onze oudedagsvoorziening.

S symbool