Financierings-maatschappij Ontwikkelingslanden

FMO - klein bier?

Rob Lubbersen

De FMO is een bank. Een bank met een vermogen van 12 miljard euro. Klein bier? Zeker vergeleken met de grote jongens en meisjes als ING (937 miljard), Rabo (632 miljard) en ABN AMRO (396 miljard). Maar ook van klein bier kun je dronken worden. En rare dingen doen. En dat doet de FMO. En daar kan de FMO maar beter mee ophouden.

FMO staat voor Financierings-maatschappij Ontwikkelingslanden. Opgericht in 1970 door de Nederlandse overheid. In een tijd dat ontwikkelingshulp steeds meer aandacht kreeg. Momenteel heeft de staat nog altijd 51 procent van de aandelen in bezit. In 85 landen wereldwijd lopen er projecten ter waarde van zoín 12 miljard euro. Nog steeds presenteert de FMO zich als een financiële aanjager van ontwikkeling, milieu, duurzaamheid en gelijkheid. Maar sinds de dagen van de bevlogen minister Jan Pronk is er wel wat veranderd. De FMO opereert meer als een 'gewone bank'. Investeringen moeten vooral rendabel zijn voor het Nederlandse bedrijfsleven. Investeringen in foute projecten worden niet langer uit de weg gegaan, wel goedgepraat. Mensenrechten en milieu staan niet meer voorop. De hoogste tijd voor een heroverweging van het nut en bestaansrecht.

"Handel! Geen hulp"

Of een mug nou steekt of bijt, daar zijn de geleerden nog niet uit. Maar de Haagse Mug weet over het algemeen aardig te prikken. Met stekelige lezingen weet die de gevestigde orde soms best wel jeukende bulten te bezorgen. Op 15 januari 2022 had de Mug daartoe Kees Hudig in huis gehaald. Namens zijn organisatie Globalinfo zoemde Kees in op de eerder genoemde FMO. Ooit met de beste bedoelingen gestart, namelijk om 'de derde wereld' te helpen bij een duurzame ontwikkeling. Maar in de jaren tachtig toch steeds in neoliberaler vaarwater terechtgekomen.

Geheel in de geest van Lubbers en Kok werden de idealistische veren afgeschud. Trade! Not aid! oftewel Handel! Geen hulp! werd het nieuwe streven. FMO kreeg als rol vooral het vergemakkelijken van de toegang tot ontwikkelingslanden voor het Nederlandse bedrijfsleven. De belangen van Ďarme landení en hun bevolking verdwenen naar de achtergrond. De winst van westerse particuliere investeerders kreeg de overhand. Sterker nog: dankzij garantstellingen van de overheid kunnen die investeerders een risicootje nemen dat ze anders misschien niet hadden aangedurfd. Bij meerdere projecten moesten daartoe mensenrechten, milieu en klimaat het ontgelden. Kees Hudig noemde een drietal voorbeelden.

1. Congo: palmolie met minachting van mensenrechten

In Congo hebben westerse bedrijven, waaronder Unilever, meer dan honderd jaar palmplantages gerund. Met verwaarlozing van het milieu en de mensenrechten van de plaatselijke bewoners. De FMO was hierbij betrokken. Toen in 2020 de toenmalige investeerder failliet ging, kozen de ontwikkelingsbanken voor een nieuwe particuliere investeerder, gevestigd op Mauritius.

Reden voor het dagblad Trouw om het volgende commentaar te geven: Van Oijen [van Milieudefensie] verwijst naar diverse gemeenschappen in Congo die 300 hectare plantage zelf in gebruik namen. 'Hun inkomen is verzevenvoudigd en ze zijn eigen baas.' Ze blijft zich erover verbazen dat ontwikkelingsbanken die onderontwikkelde economieën moeten helpen met krediet eerder voor private investeerders kiezen dan voor de mensen waar het om gaat. 'Waarom steekt FMO geen geld in lokale Congolese boerencoöperaties om hen uit de armoede te helpen?', vraagt Van Oijen zich af.

2. Panama: stuwdam verjaagt lokale bevolking

In Panama heeft de FMO vanaf 2011 miljoenen geïnvesteerd in de Barra Blanco Dam. De aanleg van deze stuwdam was tegen de wil van de plaatselijke bevolking. Bij het verzet tegen de bouw van de dam vielen doden en gewonden. Inmiddels zijn de bewoners verdreven en staat hun land onder water. De dam is klaar en de FMO heeft zijn geïnvesteerde miljoenen terug, maar ze neemt geen enkele verantwoordelijkheid voor de aangerichte schade en ellende.

Foto demo tegen FMO in Honduras
Foto copinh.org.

3. Honduras: waterkracht over lijken

In Honduras deed de FMO mee aan de financiering van de waterkrachtcentrale Agua Zaca. Bij de bouw van de centrale werd geen enkele rekening gehouden met de inheemse bevolking. Die kwam in verzet. Meerdere leiders van dat verzet werden vermoord. Waaronder de bekende activiste Berta Cáceres. Voor de FMO geen reden om de relatie met David Castillo, projectleider van Agua Zaca, stop te zetten. Pas toen die David Castillo in 2021 werd veroordeeld wegens de moord op Berta Cáceres bood de FMO aan haar nabestaanden in het openbaar verontschuldigingen aan. Voor de getroffen inheemse bevolking te laat.

Opheffen!

Op de website van www.globalinfo.nl zijn nog veel meer voorbeelden en details te vinden. Uit alles blijkt dat de FMO tegenwoordig vooral betrokken is bij financiële projecten waarvan het westerse bedrijfsleven en een kleine elite in ontwikkelingslanden profiteert. Ondertussen koestert ze haar image van ontwikkelingsfonds en weldoener, wat er onder andere toe leidt dat een relatief ideële bank als Triodos met de FMO samenwerkt en er geld in steekt. De conclusie van Kees Hudig is kort en bondig: opheffen en waar nog mogelijk schade vergoeden!

S symbool