Leesgroep "Heropleving Karl Marx" - sleutelbegrippen en nieuwe interpretaties - deel 18

Opium

Sjarrel Massop

Marx was een op en top historisch materialist. Hij ging dus uit van een bestaande, sociale situatie die ontwikkeld was uit een werkelijkheid die daaraan vooraf ging. Mensen en hun sociale verhoudingen hebben dus een materiële basis. Het menselijk handelen kan verschillende componenten hebben. Zoals werken, communiceren, denken, gewoon leven en zelfs op je krent zitten. Zij produceren allemaal de actuele situatie waarin we leven. Mensen kunnen meer dan dieren, omdat ze hun geschiedenis kunnen verwoorden en hun toekomst vormgeven. Dat vermogen is aan beperkingen onderhevig. De mens kan zich niet aan natuurwetten onttrekken, een mens gaat dood en is geboren. Marx was bovenal geïnteresseerd in hoe de mens zich ten opzichte van de medemens moet gedragen, opdat het aardse bestaan voor ieder leefbaar wordt. Hij was een humanist en werkte met de opgedane waarnemingen en betrok daarin de ervaringen uit het verleden. Marx was zeer geboeid hoe mensen dat onderling deden en was door en door sociaal. In de betekenis dat hij de ontwikkeling van de soort mens bestudeerde vanuit de onderlinge relaties van mensen. Het verleden voor de geboorte en de toekomst na de dood interesseerden hem niet erg.

Gilbert Achcar met op achtergrond cartoen afbeelding Marx met V-teken

Gilbert Achcar (GA) heeft een poging gedaan bij Marx te achterhalen hoe hij de wereld zag die zich in de fantasie en de verbeelding afspeelt. 1 Uit zijn eerste conclusie bleek dit incompleet en ontoereikend te zijn. Het speelde wel in de gedachten van Marx, maar hij vond het niet de moeite waard. Hij gaf antwoord op vragen die hem gesteld werden, maar deed vervolgens nauwelijks verder onderzoek.

Religie als vanzelfsprekendheid

Dat Marx door die instelling sociaal in de problemen kwam, deerde hem niet. Hij zag duidelijk dat de trend ingezet was dat al het mystiek gewaande meer en meer verklaard kon worden door menselijke kennis. Dat begon al met het voorwoord van zijn proefschrift:

GA Ik haat het hele pakket van goden, als een aforisme [korte, bondige uitspraak] eigen aan de filosofie tegen alle hemelse en aardse goden die niet erkennen dat het menselijke zelfbewustzijn de hoogste goddelijkheid is.
In een korte stelling draait Marx de heleboel om, hij heeft slechts een eenvoudig recept nodig.

GA De religie op zichzelf is inhoudsloos, ze dankt haar bestaan niet aan de hemel maar aan de aarde. Met de afschaffing van een verstoorde realiteit, waarvan de religie de theorie is, zal ze vanzelf instorten.
De basis van zijn niet religieuze kritiek is: de mens maakt de religie; religie maakt de mens niet. Religie is het zelfbewustzijn en zelfrespect van de mens die zichzelf nog niet gevonden heeft of die zichzelf weer verloren heeft. Maar de mens is geen abstract wezen dat gevestigd is in een buitenaardse wereld. De mens is de wereld van het menselijke, de staat de samenleving. Deze staat en deze samenleving produceren de religie, een omgekeerd bewustzijn van de wereld. De religie is de algemene theorie van die wereld, zijn logica in een populaire vorm. De strijd tegen de religie is daarom indirect een gevecht tegen een wereld waarvan de religie het geestelijke aroma is.

Deze omdraaiing van de zienswijze, de mens is de maker van de religie van de grote hoeveelheid goden, en niet omgekeerd: de goden hebben de mens niet geschapen. Dit is geen moreel oordeel, maar een visie, een gedachtegoed. Een waarlijk religieus mens zal echter zeggen: hoe zit het dan met de mystieke ervaringen, de heiligverklaring van iemand als Titus Brandsma, of de verandering van water in wijn door Jezus. Het zijn in eerste instantie fantastische mensen geweest, die erg betrokken waren met het lot dat mensen boven het hoofd hing, in een situatie waarin de menselijkheid, door de mens zelf, in een mensonterende situatie was terechtgekomen. Hun denken, filosofie is echter abstract, hun handelen was erg concreet.

Marx met uitspraak Relegion is opium of the people.

De opium metafoor

De beeldspraak "godsdienst is opium van het volk" wordt algemeen gezien als de verpersoonlijking van de opvatting van Marx over de religie. Het is één van de meest aangehaalde uitspraken van hem, hoewel hij eigenlijk voortborduurde op een analogie van bijvoorbeeld Kant en Heine. Het is daarmee geen typisch kenmerk van Marx' opvattingen.
De beeldspraak is ook uit het historische verband gerukt. Opium had in de tijd van Marx een andere inhoud dan dat het nu heeft. Opium was een geneesmiddel dat de pijn verzachtte. Tegenwoordig wordt het als een hallucinerend middel gezien. In die betekenis zag Marx opium en godsdienst zeker niet. Marx zag dat onder het kapitalisme de menselijke waardigheid afnam en de verhoudingen verslechterden. Voorop stond bij Marx de zelfbeschikking van de mens en het zelfbewustzijn die het mogelijk zouden maken dat er geen geneesmiddel zoals opium nodig zou zijn, en dus ook geen religie.

GA Tegen de achtergrond van de strijd van het communisme van de twintigste eeuw tegen de religie, wordt deze uitspraak geïnterpreteerd als een kleinering, dat was niet zo bedoeld. Het werd op die manier verbonden aan een negatieve opstelling tegenover opium, vergeleken met de opvatting van de negentiende eeuw.
De kwestie speelt opnieuw tegenwoordig, waar een te grote nadruk wordt gelegd op een beschrijving toegedicht aan Marx van de religie als een teken van onderdrukking. Zelfs de jonge Marx stelde slechts: religie handelt als een pijnstiller tegen de diepe angst die mensen ook in de moderne wereld ervaren. Een verdoving die voorziet in een denkbeeldig geluk, dat, en dat geloofde Marx, overwonnen kon worden door het realiseren van echt geluk door de mens zelf.

Politieke stelling

Marx kwam uiteraard wel met een dilemma te zitten. Voor de bevrijding, voor de emancipatie van de mens is strijd nodig: klassenstrijd. De emancipatie van de arbeidersklasse die we hier niet verder definiëren, moet het werk zijn van de arbeidersklasse zelf. Daar komt geen staat, geen overheid, geen ondernemer en ook zeker geen pastoor, dominee of imam aan te pas. Moeten die mensen dan bestreden en uitgesloten worden in de strijd? Het zijn terdege ook mensen die zichzelf zouden moeten bevrijden, voor een menselijk bestaan. Marx was daar glashelder in, hij loste het dilemma op.

GA Hij toonde aan dat, precies zoals de staat zichzelf bevrijdde van de religie door een zelf emancipatie van de staatsgodsdienst en de religie over te laten aan zichzelf in een burgerlijke maatschappij, zo zou het individu zich politiek kunnen emanciperen van de religie, door het niet langer te zien als een publieke zaak maar als een privé aangelegenheid. Dus, Marx en Engels benadrukten dat het recht te geloven wat iemand wenst, het recht voor het praktiseren van elke gewenste religie, expliciet erkend moest worden als een universeel mensenrecht.


  1. Gilbert Achcar is een Libanese socialistische academicus en schrijver. Hij is hoogleraar ontwikkelingsstudies en internationale betrekkingen aan de School of Oriental and African Studies van de University of London. Gilbert Achar heeft een fameus boek geschreven met de titel The People Want, over de Arabische revolutie. Ook heeft hij een boek geschreven over de erfenis van Ernest Mandel. (terug)
S symbool