Leesgroep "Heropleving Karl Marx" - sleutelbegrippen en nieuwe interpretaties - deel 21

Technologie

Sjarrel Massop

Karl Marx is zijn hele leven bezig geweest met de technologie. Misschien is het beter te spreken van de machinerie, onderdeel van de productiemiddelen in een kapitalistisch productie. De machinerie is een essentieel bestanddeel van het constante kapitaal. Marx maakte in zijn opvattingen een opmerkelijke wending. Amy Wendling bespreekt in haar bijdrage aan de ''Heropleving van Karl Marx'' deze wending. 1 Maar behalve een voorzichtige poging werkt ze de actuele, economische gevolgen nauwelijks uit.

De discussie over technologie had betrekking op de arbeidswaardeleer van Marx. De oorspronkelijke gedachte van zowel Adam Smith als David Ricardo hield in dat de arbeid de enige bron van alle economische waardevorming was. Marx bracht echter een nuancering aan, bijvoorbeeld met de eenvoudige constatering dat de machinerie de arbeidsproductiviteit aanzienlijk verhoogde. Hij werkte dit uit in Het Kapitaal via de 'relatieve meerwaardevorming'.
De meerwaarde komt voort uit de meerarbeid, dat is alles wat de arbeid(st)er meer werkt dan dat strikt noodzakelijk is voor zijn/haar onderhoud: de sociaal noodzakelijke arbeidstijd. De meerarbeid wordt door de kapitalist die het arbeidsvermogen op de arbeidsmarkt koopt, in meerwaarde omgezet door de verkoop van het arbeidsproduct voor zijn winst. Hoe groter de meerarbeid, hoe hoger de winst. Overigens naast de relatieve is sprake van absolute meerwaardevorming, dat is de meerarbeid door verlenging van de arbeidstijd.
De relatieve meerwaarde groeit door verhoging van de intensiteit van de arbeid. De arbeid(st)er produceert meer in een vastgestelde arbeidstijd. Dat kan door harder werken, maar ook door slimmere arbeidsmiddelen, machinerie, te gebruiken.

Ontwikkeling in Marx' denken

Amy Wendling (AW) sluit aan op het gegeven dat er voor Marx geen wezenlijk onderscheid bestond tussen technologie en machinerie.

AW – Marx schreef in 1846 dat machinerie een economische categorie is zoals de os die de ploeg trekt. De overgang van Marx [Manuscripten 1861–1863] naar een 'kritisch concept' over technologie voltrok zich tijdens zijn studie over de samenhang tussen enerzijds hoe wetenschap en technologie zich ontwikkelden en anderzijds de vraag van het kapitaal naar meerwaarde. Dat bracht hem tot tot zijn fameuze waarschuwing in het voorwoord van de Franse editie van Het Kapitaal in 1872: 'er is geen koninklijke weg voor de wetenschap'.

Zwart/wit foto rij vrouwen aan machines
A can factory, 1909 – bron: de.m.wikipedia.org

Marx zag de machinerie aanvankelijk als een neutraal onderdeel van de productieprocessen. Al snel concludeerde hij, toen hij de relatie legde met de relatieve meerwaardevorming, dat van die neutraliteit geen sprake was. De technologie was een subjectieve factor geworden in de meerwaardevorming en daarmee niet neutraal meer. Ze wordt door het kapitaal ingezet voor de verhoging van de meerwaarde en dus van de winst. Dat betekent dat slechts die technologie gebruikt wordt die de noodzakelijke arbeid reduceert, waardoor de relatieve meerwaardevorming kan groeien.

AW – De kritiek van Marx op afzonderlijke staten ontwikkelde zich tot een kritiek op de kapitalistisch vormgeving van alle moderne staten. Het was een kleine stap naar het inzicht dat het kapitalisme de ontwikkeling naar een algemene technologie heeft voortgebracht. De kapitalistische norm van winst door uitbuiting van de arbeid, was de nieuwe politiek van de technologische ontwikkeling.

Arbeidsdeling

De machinerie heeft een groot effect uitgeoefend op de arbeidsdeling in het productieproces. De machinerie ontwikkelde zich op drie niveaus: de aandrijving of de motor, de overbrenging van deze aandrijving en tenslotte de machine zelf.
Een voorbeeld. De stoommachine levert de energie en is door een overbrengingsmechanisme aangesloten op een weefgetouw Deze driedeling vraagt een andere vorm van arbeid en daarmee elkaar uitsluitende specialisaties. De arbeid wordt verdeeld en er zijn meer arbeid(st)ers nodig voor een productieproces. De efficiëntie is zo toegenomen dat de opbrengst vele malen groter is. Voor een bepaald productieniveau is er dus relatief minder arbeid nodig.
De arbeid, doordat ze over verschillende arbeid(st)ers verdeeld wordt, wordt echter meer gestandaardiseerd. Hoe verder de machinerie zich ontwikkelt, hoe verder de arbeider van zijn eigen arbeid vervreemdt. Marx dacht nog dat de machinerie de arbeid zo zou verlichten dat de arbeid(st)ers meer vrije tijd kregen, ter compensatie van de afstomping die plaatsvond.

AW – Zodra de machines draaiden, zonder hulp van mensen, vereisten alle handelingen om het ruwe materiaal te bewerken slechts de aandacht van de arbeid(st)ers. We hebben nu een automatisch systeem van de machinerie, en dat is er één die gevoelig is voor steeds meer verbeteringen van alle details.
Het is niet de arbeid(st)er die de instrumenten van de arbeid bedienen, maar de instrumenten van de arbeid bepalen de werkzaamheden van de arbeid(st)er en het is in de fabriek waar deze omkering zich voor het eerst voordoet.

Winstvoet

AW – Terwijl machines de relatieve meerwaarde doen toenemen, produceren ze zelf geen meerwaarde. In plaats daarvan hebben ze menselijke tussenkomst nodig, waarvan ze de waarde van het arbeidsvermogen substantieel goedkoper hebben gemaakt. Marx heeft aangetoond dat technologische wetenschap, precies zoals het kapitalisme, de onderlinge afstemming tussen menselijke arbeid en het mechanische model vereist. Hij wijst deze afstemming af, omdat het een ernstige reductie van de menselijke arbeid mogelijk maakt.
Hier is enige kritiek op Amy Wendling mogelijk. Ze gaat onvoldoende in op de economische gevolgen en die betreffen twee kwesties: de door Marx gesuggereerde tendentiële daling van de winstvoet en wat ik gemakshalve de Jevons paradox noem (Jevons, een Britse econoom, 1835-1882).

De winstvoet is door Marx gedefinieerd als de verhouding van de meerwaardevoet en het totale geïnvesteerde kapitaal in een productieproces. De meerwaardevoet is de verhouding tussen de uitbuiting van de arbeid en de totaal ingezette arbeid. We stellen die op 1.
Het totale kapitaal is de som van het constante kapitaal (arbeidsmiddelen en dus machinerie) en de levende arbeid die we ook allebei voor het gemak op 1 stellen. In formule p (profit, winst) = m (meerwaardevoet) gedeeld door c (machinerie) en v (arbeid), dus m/c+v – hier 1/1+1, dus is de winstvoet 1/2.
Stel dat er verdubbeld geïnvesteerd wordt in machines (technologie), wordt dus 2. Stel dat de uitbuiting en de hoeveelheid in te zetten arbeid gelijk blijven, dan wordt de winstvoet (= 1) gedeeld door 2+1 = 1/3. De winstvoet daalt.
Met de investeringen in machines daalt dus de winstvoet. Om de winst op peil te houden, moet de kapitalist zijn productie uitbreiden, alles moet groeien.

Tekening grijze auto lichter dan vijf groene auto's
Jevons Paradox – Pacific Standard, illustratie – Elias Stein

Paradox

Ongeveer dezelfde kwestie speelt in de Jevons paradox met de stelling: technologische vooruitgang die bijvoorbeeld de arbeidsproductiviteit verhoogt, laat het verbruik van de technologie stijgen in plaats van afnemen. Dit is te herleiden tot het mechanisme van de tendentiële daling van de winstvoet. Hoe zit dit in elkaar?
Neem bijvoorbeeld de elektriciteit. Door de toepassing in bijvoorbeeld auto’s daalt de winstvoet van de automobielindustrie, omdat de technologische investeringen dalen. Wil de kapitalist de winst toch op peil te houden, moet vanwege de elektrificatie de productie aanzienlijk uitgebreid worden. Gerelateerd aan de actualiteit: voor de productie van elektriciteit is 30 procent meer energie (fossiel) nodig dan dat het aan energie oplevert. Hetzelfde geldt voor waterstof, dat op zijn beurt weer geproduceerd wordt met elektriciteit. (zie: www.wattisduurzaam.nl) 2

En daarmee stuiten we op een groot probleem – sociaal, politiek en economisch. Om de economische groei en daarmee de welvaart te handhaven, is bijna de dubbele hoeveelheid energie nodig dan dat we met fossiele brandstof verstoken.
Conclusie: de technologie, de energie- en klimaatproblemen en de sociale ongelijkheid zijn onder kapitalistische verhoudingen, niet op te lossen, ze nemen juist toe. We zien het vandaag gebeuren, de kolencentrales gaan weer in volle capaciteit draaien en verergeren de al zeer ingrijpende problemen in Groningen. En zoals zo vaak is de uiteindelijke vraag: barbarij of socialisme.


  1. Amy Wendling is hoogleraar aan de Creighton Universiteit in de Verenigde Staten. Ze schreef het boek Karl Marx on Technology and Alienation – Palgrave 2009. (terug)
  2. Bij de opwekking van elektriciteit, kolen-, kern-, waterkrachtcentrales, windmolens gaat energie verloren, er is dus geen één op één omzetting. Voor 100 watt elektriciteit is 130 watt aan kolen, uranium, waterkracht en wind nodig. Elektrificatie van de samenleving kost dus veel meer energie. Zoveel dat er steeds meer fossiele brandstof nodig is die bij lange na niet uit groene (wind en zon) energie gehaald kan worden. Voor de productie van waterstof is elektriciteit nodig, ook nog eens een verlies van 30 procent. Dus voor 100 watt energie aan waterstof is 130 watt aan elektriciteit en 160 watt aan fossiele of groene energie nodig. Op de vraag wat het beste is voor het klimaat moet het antwoord zijn: 3) de benzine motor, 2) de elektrische auto en 1) de waterstofmotor. De omzetting, om van fossiele brandstof af te komen naar elektriciteit, is kapitalistisch economische erg lucratief voor het kapitaal, maar dramatisch voor het milieu! (terug)
S symbool