Ook de FNV kent kosten en baten
Zelfstandige en strijdbare vakbond
Jan Ilsink
Op 1 mei begint de FNV aan een andere fase in haar bestaan. Dan treedt een nieuw bestuur aan en laat de vereniging op de 1 mei manifestatie zien dat haar strijdbaarheid niet door de achterliggende bestuurscrisis is aangetast.
Een maand later, op het aangekondigde FNV-congres op 4-5 juni, zal blijken of en hoe tegenstellingen binnen de FNV-structuur in de praktijk zijn opgelost. Een gekozen bondsraad tegenover een benoemde, niet gekozen bestuur en een Raad van Toezicht. Uit de vereniging voortgekomen kaderleden tegenover een hiërarchische werkorganisatie. Tot welke inhoudelijke beleidskeuzes heeft dit geleid?
Financiële positie FNV
Voor een vakbond die als eerste taak heeft op te komen voor het inkomen van de leden, is ook de eigen financiële positie van belang. Hoe staat FNV ervoor? Wat zijn de gevolgen van teruglopende contributie inkomsten door ledenverlies? Wat heeft de crisis gekost aan dubbele salarissen? Denk aan een weggestuurd en benoemd Interim Bestuur, extra benoemde leden van een Raad van Toezicht en juridische procedures bij de Ondernemingskamer.
Dit belang wordt onderstreept door de recente discussie in de bondsraad over vacatiegelden van kaderleden in verantwoordingsorganen van pensioenfondsen. Vloeien die naar de FNV of (deels) naar de betreffende kaderleden? Wat kost het besluit van het Interim Bestuur om de wens van een meerderheid van het Ledenparlement niet te financieren om in cassatie te gaan tegen de uitspraak van de Ondernemerskamer? En wat is de prijs dat de Raad van Toezicht eenmalig de FNV-statuten mocht wijzigen?
Allemaal discussies die in een breder financieel kader van een vakbond moeten worden geplaatst.
Inkomsten
Bij een vakbond bestaan de inkomsten voornamelijk uit de contributie van de leden, uit bijdragen van de ondernemers (voor het afsluiten van cao’s) en uit het innen van vacatiegelden voor het deelnemen van werkers in dienst van de FNV aan stichtingsbesturen, zoals bijvoorbeeld pensioenfondsen. In het (publiek toegankelijke) jaarverslag van de FNV over 2024 wordt een bedrag genoemd van ruim 200 miljoen euro aan totale baten. In datzelfde jaar ontvangen de stichtingen die de ondernemersbijdragen aan vakbonden beheren voor hun inzet voor de afsluiting van cao’s) ongeveer 75 miljoen euro (3 miljoen werkers onder een cao en een ondernemersbijdrage van zo'n 25 euro per werker).
Daarvan zal zeker meer dan 50 miljoen naar de FNV zijn gegaan. Dat is dus 25 procent van de inkomsten. Overigens wordt in het FNV-jaarverslag slechts 8 procent van de totale baten aan ondernemersbijdragen genoemd. Dus dit eist nader onderzoek! Aan (inkomensafhankelijke) contributies zal de FNV zeker ongeveer 140 miljoen euro hebben ontvangen in 2024 (850.00 leden betalen maximaal 21 euro per maand).
Wat in de jaarverslagen geheel buiten beeld blijft, zijn de inkomsten van de FNV uit de vacatiegelden voor de leden van het FNV-pensioenteam die lid zijn van pensioenfondsbesturen. Dat zullen heel wat hogere bedragen zijn dan de vacatiegelden van FNV kaderleden in de verantwoordingsorganen die aanleiding waren van de discussie in de bondsraad. De ondernemers worden vergoed voor de tijd dat zij afwezig zijn om deel te neem aan het verantwoordingsorgaan. Maar in cao’s is dat meestal geregeld met ‘vakbondsfaciliteiten’ en ontvangt de bond die vacatiegelden van het fonds.
Ook de inkomsten van de FNV voor de activiteiten van FNV Mondiaal die betaald worden door het ministerie van Buitenlandse Zaken, in het kader van onder andere het financieringsprogramma, blijven buiten beeld.

Bond: sociale en politieke machtsfactor
De vakbond is een belangrijke partij in de sociaaleconomische realiteit die wordt gesymboliseerd in de loonarbeidsquote: welk aandeel heeft de totaal betaalde loonsom in een jaar in de totaal geproduceerde waarde in dat jaar? Sinds het neoliberale beleid is die aan het dalen van 81,4 procent in 1995 naar 69,9 in 2024. Dat betekent dat de groei van de arbeidsproductiviteit in die periode vooral naar het kapitaal (aandeelhouders) is gegaan en niet naar de arbeid (werkenden). De invloed van de vakbeweging heeft in die periode dus flink ingeboet! Hoe kan dat?
Bedreigingen vakbondsmacht
Zonder cao’s vallen alle werkers voor hun vakantiedagen, arbeidstijden, loon en dergelijke terug op het bestaande wettelijk kader en hun individuele onderhandelingskracht. Vakbonden die cao’s uitonderhandelen zijn dus, samen met de algemeen verbindend verklaring, een uiterst belangrijke factor in het Nederlandse arbeidsbestel.
Maar de afsluiting van een cao en het beheer van pensioenfondsen als een verdienmodel voor de vakbond kan problematisch zijn als daarmee de strijdbaarheid en de macht van de vakbond worden ondermijnd.
De eerste bedreiging is dat het ten koste gaat van de arbeidsvoorwaarden van werkers, omdat er geld te verdienen valt als de vakbondsonderhandelaar toegeeft aan de wensen van ondernemers of in het geval van een pensioenfondsbestuur aan de wensen van de toezichthouder: De Nederlandse Bank.
De tweede bedreiging is dat ondernemers – als het de grote bonden niet lukt om bedrijfssectoren plat te leggen – op zoek gaan naar een bond die voor de goedkoopste cao tekent.
De derde bedreiging is dat er door het voortdurend najagen van lagere arbeidskosten concurrentie op de arbeidsvoorwaarden ontstaat. Met als gevolg een stagnering van arbeidsproductiviteit en een lagere groei van het nationaal inkomen. Ondernemersorganisaties zijn zich hier wel degelijk van bewust, want enkele blijven het algemeen verbindend verklaren van cao’s verdedigen tegen de terugkerende wens vanuit ‘de politiek’ om dat los te laten!
Verbeterde arbeidsvoorwaarden eist strijd
Kortom de FNV staat ook nu onmiskenbaar op een punt om terrein terug te veroveren op de ondernemers en aandeelhouders. Dat zal niet zonder strijd gaan en moeten ‘neerdalen’ in betere cao’s waarmee de loonarbeidsquote wordt verhoogd.
Op de eerste mei en het congres in juni zal blijken of de FNV in de nieuwe start daarvoor klaar is en of zij ook in financieel opzicht gereed is voor strijd en voor ledenwerving? Want in de jaarrekeningen van 2014/2024 is de post voor publiciteit, promotie en werving gedaald van 6 naar 3,5 miljoen euro. Dat is 41 procent minder. Lokale kantoren zijn wervend voor een vakbond. We zien in de periode van 2014/2024 een daling van 12,8 miljoen naar 11 miljoen euro. Dat is 14 procent. In dezelfde periode zijn de personeelskosten gestegen van 143 naar 177 miljoen euro.
Dat is 23 procent.
Maar niet alleen versterking van de werkorganisatie zal bepalend zijn. Vooral strijdbare kaderleden zijn daarvoor doorslaggevend en die komen niet uit de lucht vallen, maar zullen moeten worden geschoold door de bond. Is de Kaderacademie daar klaar voor? Is die bereid en organisatorisch en financieel in staat kaderleden uit de sterke strijdbare sectoren van de FNV in te schakelen bij scholing en vorming van kaderleden uit zwakkere sectoren? En terugkomend op de kwestie van vacatiegelden: zal een financiële prikkel om actief kaderlid te zijn, zoals de sector bouw vraagt, een aansporing vormen tot strijdbaarheid?
De strijdbaarheid zal zichtbaar zijn op de Eerste Mei. De aanzetten tot concretisering in beleid zal hopelijk op het FNV-congres geschieden!