Een boeiende tegenstelling
Drees en Dolleman
Rob Lubbersen
Hij werd ‘vadertje Drees’ genoemd. Hij was de man die ons de AOW bracht. Gepensioneerden noemden zich ‘kind van Drees’ of, iets zakelijker, ‘een trekker van Drees’. Willem Drees (1886-1988) was een sociaaldemocraat. Na de Tweede Wereldoorlog was hij minister-president en regelde hij de sociale zekerheid, zoals de ouderdomsvoorziening AOW. Vandaar.
Willem Dolleman (1894-1942) was een revolutionaire socialist. Hij was een vakbondsman en voorstander van een radicale politiek. Tijdens de Duitse bezetting was hij actief in het verzet. In april 1942 werd hij door de Duitsers gefusilleerd.
Dolleman
Drees
Drees en Dolleman woonden beiden in dezelfde tijd in Den Haag. Ze waren betrokken bij ‘de linkse beweging’. Maar Drees werd door Dolleman als veel te gematigd beschouwd. Ze stonden vaak lijnrecht tegenover elkaar. Toch vroeg Dolleman zijn echtgenote na zijn doodvonnis om na zijn executie een portret van zichzelf mét een laatste groet bij Drees te bezorgen. Dit werd jaren later aanleiding voor een briefwisseling tussen Andries, de oudste zoon van Willem Dolleman, en Willem Drees.(1) Hoe zat dat?
Minister-president
Willem Drees groeide op in het gezin van een bankbediende en werd zelf boekhouder. In 1913 werd hij lid van de Haagse gemeenteraad voor de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP). In 1919 werd hij wethouder Sociale Zaken. Na de beurskrach van 1929 probeerde hij het lot van de arme Hagenezen en werklozen te verzachten. In 1933 ging hij voor de SDAP naar de Tweede Kamer. Na de Duitse invasie in 1940 werd hij door de bezetter gegijzeld in kamp Buchenwald. De Duitsers wilden hem eventueel uitruilen tegen Duitse gevangenen in Nederlands Indië en daarom werd hij betrekkelijk goed behandeld.(2) In mei 1941 werd hij vrijgelaten en keerde terug in Nederland.
Vanaf 1944 besprak hij hoe het land na de oorlog bestuurd moest worden. Direct na de oorlog werd hij minister van Sociale Zaken. Van 1948 tot 1958 was hij minister-president voor de Partij van de Arbeid (PvdA). In deze periode werd hij ‘Vadertje Drees’ door de invoering van sociale wetten, zoals de Werkloosheidswet (1952) en de Algemene Ouderdomswet (1957). Willem Drees overleed als 101-jarige. Hij bleef zijn hele leven een gematigde, zuinige sociaaldemocraat. Zijn motto was: Niet alles kan, en zeker niet tegelijk. Tijdens zijn premierschap nam hij – met tegenzin, maar toch – verantwoordelijkheid voor de koloniale oorlog in Indië, met twee ‘politionele acties’.
Revolutionair
Willem Dolleman werkte als bakker bij Bakkerij Vreken. In 1914 werd hij voorzitter van de radicaal linkse Jeugdbond "De Zaaier". Hij wordt actief in de revolutionaire bakkersbond van het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS). Hij voert actie tegen de krotwoningen in Den Haag, tegen huurverhogingen én voor de bevrijding van Nederlands Indië van het koloniale juk.
Samen met Henk Sneevliet richt hij in 1935 de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij (RSAP) op. Die partij strijdt tegen kapitalisme en het opkomend fascisme, maar ook tegen het reformisme van de SDAP en het stalinisme van de CPN.(3) Over de SDAP schrijft Dolleman: Het kruipen was wel gauw geleerd. En over de CPN: Is dieper verval denkbaar?(4) Vrijwel direct na de Duitse invasie in 1940 gaat de RSAP ondergronds. Wederom samen met Sneevliet maakt Dolleman dan de verzetskrant Spartacus. Begin 1942 worden ze opgepakt, ter dood veroordeeld en op 13 april in kamp Amersfoort door een vuurpeloton geëxecuteerd. Willem Dolleman werd 48 jaar. Hij liet een vrouw, drie zonen en de herinnering aan een eerlijk en moedig leven na.(5)
Maar wat?
Op 7 september 1976 schreef Andries Dolleman, de oudste zoon van Willem, deze brief aan Willem Drees.
“Geachte Heer Drees,
Het zal ongeveer eind april – begin mei 1942 zijn geweest, dat ik met mijn moeder U bezocht. Wij deden dat op verzoek van mijn vader, Willem F. Dolleman, die mijn moeder had verzocht aan U zijn groeten over te brengen. Hij werd 13 april 1942 met Sneevliet c.s. gefusilleerd.
In die dagen al heb ik het verzoek van mijn vader, waaraan ik vanzelfsprekend met volle waardering voor zijn persoon gevolg gaf, toch nooit recht begrepen. Al die jaren werd dit probleem voor mij niet opgelost. De laatste acht maanden ben ik bezig, opnieuw gegrepen door het drama dat zich bijna 35 jaar geleden voltrok, het arbeidzame leven van mijn vader in de socialistische beweging op te graven. Het is tegelijk een pijnlijke en een boeiende ervaring, zoals U zult begrijpen.
Wat mij bezighoud is de vraag: uit welke motieven kan mijn vader de behoefte hebben gevoeld speciaal aan U een laatste groet te laten brengen? Politieke gelijke gezindheid kan het niet geweest zijn, daarvoor was de afstand tussen U en hem te groot. Het is niet onmogelijk dat in Uw Haagse tijd toch op één of andere manier een band tussen U beiden heeft bestaan. Hoewel ik daarvan in mijn herinnering niets terug kan vinden. (Ik nam vanaf mijn 17e jaar aktief aan het politieke werk van mijn vader deel, was 22 jaar toen hij werd gefusilleerd). Volgens mijn moeder zou mijn vader niet lang voor hij werd gearresteerd (2 maart 1942) U bezocht hebben. Vermoedelijk kwam hij bij U om enigerlei illegaal initiatief te bespreken. Thuis gekomen zou hij mijn moeder gezegd hebben ‘Drees vindt het te gevaarlijk’. Maar wat? U zoudt mij veel genoegen doen, wanneer U mij de oplossing van de kwellende vraag zoudt kunnen geven.
Ik hoop niet dat ik U te veel lastig val. Het staat U natuurlijk vrij mijn verzoek niet te beantwoorden. Ik zou daar begrip voor kunnen hebben en het U geenszins euvel duiden.
Met de wens, dat U zich nog een aantal jaren in een goede gezondheid en helder verstand mag blijven verheugen, teken ik met vriendelijke groeten en hoogachting,
w.g. A. Dolleman”
Te gevaarlijk
Drees reageerde binnen drie dagen. Op 10 september 1976 schreef hij:
“Geachte heer Dolleman,
Uw brief van 7 dezer riep ontroerende herinneringen bij mij op. Zij zijn sterk genoeg om U de gewenste opheldering te kunnen verschaffen.
Uw vader en ik hebben elkaar leren kennen als leden van de afdeling Den Haag van de S.D.A.P. Hij heeft de partij echter verlaten en is, zoals U terecht opmerkt, een geheel andere weg gegaan dan ik.
Men zou kunnen spreken van de tegenstelling revolutie-evolutie. Deze tegenstelling was echter voor geen van ons beiden een reden om persoonlijk vijandig tegenover elkaar te staan. Toen ik was vrijgelaten nadat ik als gijzelaar in Buchenwald geïnterneerd was geweest, bracht Uw vader mij een bezoek om mij daarmee geluk te wensen; iets dat ik zeer waardeerde. Toen heeft het gesprek plaats gehad, dat hem aanleiding gaf mij, toen de executie hem wachtte, zijn portret te doen overhandigen.
Hij was, zoals U natuurlijk bekend is, bestuurslid van de R.S.A.P., de partij van Sneevliet, zoals men placht te zeggen. Die voerde illegale propaganda, echter niet enkel als verzet tegen de Duitsers, maar als actie voor revolutie, waarbij de geallieerden evenzeer werden gecritiseerd als imperialistische landen las Duitsland. Ik betoogde dat deze actie voor het ogenblik geen enkele kans maakte. Ze kon niet aanslaan omdat de bevolking zich speciaal door de Duitsers onderdrukt gevoelde. Daarnaast wees ik er echter op dat de wijze waarop de R.S.A.P te werk ging het gevaar, dat bij alle illegale werk aanwezig was, onnodig vergrootte. Alle partijen behalve de N.S.B waren verboden. De R.S.A.P nu hield niet alleen, evenals andere partijen, contacten binnen de partij, maar ze liet in haar ondergrondse publicaties al te duidelijk merken dat ze van haar uitgingen: deed dus openlijk blijken van haar voortbestaan. Vielen de bestuursleden in handen van de Duitsers, dan zouden de aanklachten tegen hen van dubbele aard zijn: illegale publicaties en voortzetting van een partij.
De Duitsers wisten zeer goed dat ook andere partijen ondergronds contacten bleven aanhouden en traden ook tegen partijbestuurders op, maar bij de normale, parlementaire partijen met een zekere gematigdheid, b.v. door hen te interneren als gijzelaars. Werden bestuursleden van de R.S.A.P. gearresteerd, dan zouden ze echter uiterst scherp optreden, om een voorbeeld te stellen bij een partij, die niet zoveel aanhang had dat dit een te grote schok in ons volk zou veroorzaken. Mijn waarschuwing tegen onnodige vergroting van het gevaar heeft op Uw vader indruk gemaakt. Vandaar dat hij tegen Uw moeder heeft gezegd dat ik sprak van “te gevaarlijk”. Het was ook daarom dat hij Uw moeder vroeg mij zijn portret te overhandigen , waarbij zij, naar mij voor de geest staat, tevens mededeelde dat hij haar had gevraagd de verklaring over te brengen dat ik gelijk had gehad met mijn waarschuwing. Ik ben er zeker van dat hij daarmee niet bedoelde dat hij zijn overtuiging prijs gaf, maar alleen dat een andere strijdwijze de voorkeur zou hebben gehad.
Het was tragisch dat Uw vader in de kracht van zijn leven omkwam. Hij is echter, met de andere bestuursleden van de R.S.A.P, met moed de laatste gang gegaan. Toen ik eens in Amersfoort sprak ter herdenking van wie in het kamp omkwamen, heb ik ook de nagedachtenis van de Sneevlietgroep, en daarmee ook van Uw vader, geëerd.
Met vriendelijke groeten, hoogachtend, W. Drees”
Een brandende vraag opgelost
Op 13 september 1976 stuurde Andries een bedankbrief aan Drees.
“Geachte Heer Drees,
Het is mij een behoeft U heel hartelijk te danken voor Uw brief van 10 september. Ik was werkelijk versteld zó snel en zó uitvoerig Uw verhelderende uiteenzetting uit de brievenbus te mogen halen.
U schrijft o.a.: ‘Deze tegenstelling was echter voor geen van ons beiden een reden om persoonlijk vijandig tegenover elkaar te staan.’ U en ik weten al te goed hoe scherp in de discussies en in de dagelijkse strijd de meningen botsten! Maar toch was het ook mij opgevallen – en ik had het in mijn brief van 7 september willen schrijven, doch wist niet of ik daar wel goed aan zou doen en besloot dus Uw antwoord af te wachten – met hoeveel respect mijn vader vóór de oorlog over U kon blijven spreken. Zoals U dus terecht stelt: de persoonlijke waardering was en bleef wederzijds.
Wij zullen niet in discussie treden of Uw opmerking – en in hoeverre – geheel beantwoordt aan de laatste gedachten van mijn vader, als zou hij aan een andere strijdwijze uiteindelijk de voorkeur hebben gegeven. Hij zelf zou immers de enige zijn die hierop antwoord zou kunnen geven. Hoe dan ook, hij is inderdaad, zoals U schreef ‘met moed de laatste gang gegaan’.
Ik kreeg van U het antwoord waarnaar ik vroeg. Nogmaals heel hartelijk dank! Voor mij heeft U in elk geval een brandende vraag opgelost.
Met mijn welgemeende betuiging van diep respect voor Uw ijzersterke geheugen en de zelfde wensen voor U persoonlijk, als waarmee ik mijn vorige brief besloot, teken ik met vriendelijke groeten,
w.g. A. Dolleman”
Weer een tipje van de sluier opgelicht
Er is geen enkele reden om te twijfelen aan de lezing van Willem Drees omtrent het gebeuren in april/mei 1942, noch aan wat daaraan vooraf ging, noch aan de beoordeling van Andries Dolleman terzake. Dat maakt verder commentaar overbodig. Er is weer een tipje van de sluier over de geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging opgelicht. Waarvan akte.
(1) Van deze briefwisseling, bestaande uit twee brieven van Andries Dolleman en één van Willem Drees, zijn fotokopieën in mijn bezit.
(2) Willem Drees – Een jaar Buchenwald. Arbeiderspers, 1961.
(3) Max Perthus – Henk Sneevliet, revolutionair-socialist in Europa en Azië. SUN 1976.
(4) W.F. Dolleman - Nederland in de oorlog. De Vlam 1937.
(5) Rob Lubbersen – Willem Dolleman, eerlijk en moedig (1894-1942). Pp. 129-157 in: Te samen solidair in alle hoeken, Haagse vakbondsactiviteiten en -activisten sinds de 18e eeuw – onder redactie van Richard Kleinegris en Roel Wuite. De Nieuwe Haagsche, 2002.