KAPAL 7
De muiterij op De Zeven Provinciën
Harry Peer
Het was lange tijd taboe en zelfs riskant om over de muiterij op het pantserschip De Zeven Provinciën te spreken of te schrijven tenzij het in afkeurende zin was. Het tastte het gezag van de autoriteiten, de minister van Defensie en de marineleiding aan. Het is al weer bijna een eeuw geleden, maar het gebeuren beroert nog steeds de gemoederen.
Sumatra, zaterdag 4 februari 1933, de inlandse (Indonesische) schepelingen aan boord van Kapal 7, zo noemden zij De Zeven Provinciën, varen met hun schip weg. Commandant kapitein-luitenant ter zee Piet Eikenboom en een deel van zijn officieren achterlatend op een feestje aan wal. Wanneer marinemensen, bij wie de discipline is ingeslepen, tot zo'n daad overgaan, moet er wel iets bijzonders aan de hand zijn. Wat was er aan de hand?

Boekomslag
Draconische straffen
Kort samengevat. Het is crisistijd. De matrozen hadden al meerdere salariskortingen moeten slikken en er tegen geprotesteerd tijdens hiervoor bijeengeroepen vergaderingen - baksgewijs op de kruiser de Java en de jagers Piet Hein en Evertsen. Na strenge waarschuwingen haalde een deel van de bemanning bakzeil. Veertig mannen die verder dienst weigerden, werden afgevoerd naar het marinekampement in Malang. De zoveelste korting op rij wordt voor de Nederlandse matrozen teruggebracht van 7 naar 4 procent, voor de inlandse schepelingen blijft die echter wel op 7 procent staan.
De discriminatie was op vele manieren ingebakken. Om te beginnen op het vlak van de arbeidsvoorwaarden. De inlandse marinemensen verdienden namelijk voor hetzelfde werk maar een derde van het salaris van hun Nederlandse collega's. Dat loon was sowieso al veel te weinig om met een gezin van rond te komen, laat staan met de stapeling van kortingen er bovenop. Op 3 februari weigeren daarom 450 Indonesiërs in Soerabaja dienst. Ze worden vervolgens allemaal gevangen gezet op het eiland Madoera, samen met zo'n 70 dienstweigeraars van elders.
Het rechtvaardigheidsgevoel was nu genoeg getart. Uit solidariteit met hun collega's op Madoera kapen de schepelingen van De Zeven Provinciën hun schip en varen dan richting Soerabaja. Op dat moment zijn er van de oorspronkelijke 397 personen 265 aan boord, 195 Indonesische en 54 Nederlandse schepelingen en 16 officieren. De matrozen laten telegrafisch weten dat ze hun vaartocht vreedzaam willen eindigen met de uitnodiging voor de commandant om weer aan boord te komen en dat ze niets communistisch in de zin hebben. Uit het telegram: Zal niet van wapenen gebruik gemaakt worden zoolang wij er niet toe gedwongen worden. Een dag voor binnenkomst zal commandant met overige officieren met vollen eerbied ontvangen worden.

Klaslokaal van de Kweekschool voor Inlandsche Schepelingen
Met deze spectaculaire actie hebben ze dan hun punt gemaakt. We weten hoe het afliep. Dramatisch. Een meedogenloze reactie op bevel van de commandant der zeemacht in Nederlands-Indië J.F. Osten en de oerconservatieve gouverneur-generaal B.C. de Jonge. Er wordt een bom op het schip gegooid. Er zijn 23 doden en vele gewonden te betreuren, twintig Indonesiërs en drie Nederlanders. Er worden draconische straffen uitgedeeld, tot achttien jaar aan toe en verbanning van een deel van de Indonesische muiters naar concentratiekamp Boven Digoel op Nieuw-Guinea. Commandant Eikenboom komt er relatief mild van af: voor hem vier maanden gevangenisstraf en ontslag uit dienst, met behoud van pensioen. Luitenant ter zee Van Boven, de oudste van de resterende officieren aan boord tijdens de muiterij en daarmee automatisch plaatsvervangend commandant wordt veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf en ontslag uit de zeedienst.
Publicaties
Aan alle beschouwingen over de muiterij op De Zeven Provinciën is dit jaar een waardevolle toegevoegd: KAPAL 7. Marine, matrozen en de muiterij van 1933, geschreven door Herman Keppy. De auteur heeft een achtergrond met kennissen en familieleden onder wie zijn vader die bij de marine zaten. Sinds Keppy's eerste boek De laatste inlandse schepelingen geldt hij als een expert op het gebied van Indonesiërs die bij de Koninklijke Marine zaten. Herman Keppy heeft Kapal 7 opgedragen aan de muiters. In het bijzonder ter nagedachtenis aan Josias Kolondam Kawilarang, Roeben Tuhumena en Jacobus Parinussa, die gedurende vijf dagen het schip veilig naar Java navigeerden.
De Arbeiderspers durfde het in 1937 niet aan het relaas van korporaal machinist Maud Boshart uit te geven. Dat lag politiek te gevoelig. In de vijf dagen dat het schip in handen was van de zogeheten muiters speelde vakbondsman Maud Boshart aan boord een actieve, bemiddelende rol. Bosharts relaas is een zeer leesbare, belangrijke bron. Het overstijgt bovendien de alledaagse gebeurtenissen. Hier spreekt een man met gezag. Uiteindelijk gaf Bert Bakker het uit in1978. Het proefschrift van Hans Blom uit 1975/1983 (met een Inleiding bij de tweede druk) is een ruime uiteenzetting van achtergronden, verloop en gevolgen van de muiterij.
Zelf heb ik in 1997 in het Marinemuseum in Den Helder Daar komen de Jantjes gepresenteerd. In vijf bondige hoofdstukken vat ik de geschiedenis van de in 1897 opgerichte Matrozenbond samen. Het laatste hoofdstuk gaat over de muiterij.
Matrozenbond
De minister van Defensie greep de muiterij aan om de diverse vakorganisaties bij de marine, Nederlandse en Indonesische, te verbieden. Jarenlang hadden deze bonden de beroerde toestanden voor het voetlicht gebracht. Om te beginnen bij de minister van Marine, Defensie en wanneer ze daar geen gehoor vonden, zochten ze de publiciteit en richtten zich tot de pers en de politieke partijen/met name de sociaaldemocratie. Het handelde om elementaire zaken: het slechte voedsel, de harde straffen voor onbenullige overtredingen, pesterijen, de kinderwerving, de lange dienstverbanden, autoritaire officieren, machtsmisbruik, enzovoort.

Verhoor van een muiter door de officieren Duyverman en Van Foreest
De muiterij vond plaats in een gepolitiseerd klimaat: koloniale onderdrukking, de opstanden in 1926 en 1927 op West-Java en Sumatra, de discriminatie van de inlandse bevolking, de strijd voor onafhankelijkheid van Indonesië, het fascisme in Europa - Hitler was net aan de macht gekomen in Duitsland - de angst voor het communisme.
Geen vakbond in Nederland heeft het zo zwaar te verduren gehad als de Matrozenbond, zeker de eerste jaren na zijn oprichting. Welke werkgever heeft ooit een bom gegooid op protesterend personeel? Korporaals en onderofficieren – apart georganiseerd - hadden hun ervaring met belangenbehartiging eerder opgedaan in de Matrozenbond. Waar nodig vergaderden ze samen in het in 1920 opgerichte Cambo: Comité ter behartiging van de Algemeene belangen van het Marinepersoneel Beneden den rang van Officier.
De inlandse schepelingen komen vanzelfsprekend aan de orde in de genoemde publicaties. Maar bij het onderzoek naar en het lezen over de muiterij, dringt zich heel sterk de behoefte op om meer te weten van het lot en het wedervaren van de Indonesische schepelingen. KAPAL 7 voorziet hierin.
Beeldmateriaal
Lang kijk ik naar de omslagfoto van KAPAL 7. Vier krachtige jonge Indonesische matrozen in tropenuniform aan boord van het schip; twee staande en twee zittend van wie er één met een reddingsgordel om met de woorden "Hr.Ms. Pantserschip De Zeven Provincien". Wie zijn zij? Hebben zij de bomaanslag overleefd?
De vele in het boek opgenomen illustraties brengen je in een andere wereld: Indonesië en Nederland in het interbellum, de zeemacht in die tijd, bij de muiterij betrokken personen, krantenknipsels, spotprenten, enzovoort. Een korte selectie:
* bladzijde 19 -
Opa Tjap Keppy met zijn echtgenote en drie kinderen in Soerabaja circa 1940. Op de volgende bladzijde: het klaslokaal van de Kweekschool voor Inlandsche Schepelingen (KIS) in Makassar. De school werd na de muiterij gesloten, de leerlingen zouden te goed en kritisch zijn opgeleid. In grote lijnen volgen we de gang van zaken rond de muiterij.
* bladzijde 148 -
De voorpagina van de Daily Mirror met de kop Mutineers seize a warship
* bladzijde 156 -
Latuheru op bezoek bij zijn schoonfamilie in Bima op het eiland Soembawa in 1937.
* bladzijde 202 -
Nederlandse gevangenen op weg naar of van een verhoor op het eiland Onrust, bewaakt door Indonesische KNIL-militairen.
* bladzijde 223 -
De Javaanse matroos eerste klas Soedijono op weg naar een verhoor.
Aan het prikkeldraad hangt een platte pet van de Koninklijke Marine.
* bladzijde 267 -
Rudolf “Ollop” Wattimena, KIS, leerling aan boord van Kapal 7, toen de muiterij uitbrak. In de Tweede Wereldoorlog was hij actief bij de onderzeedienst.
* Door het boek heen -
beelden van onder andere Alex Verstegen, de oprichter van de Matrozenbond, korporaal-machinist Maud Boshart, dichteres Henriette Roland Holst-Van der Schalk, socialistisch politicus Henk Sneevliet en Theo Coppers, de vliegenier die de bom op De Zeven Provinciën gooide.
Uitgebreide citaten
De aanduiding inlanders of Indonesiërs is een verzamelbegrip. Kijken we naar de twee leiders van de muiterij, dan noemen we de matrozen eerste klas de Timorees Paradja en de Menadonees Kawilarang. Voorts zijn er Javanen, Sumatranen en Ambonezen aan boord. Korporaal-telegrafist Rumambi is een Minahasser, stoker-olieman Hendrik een Timorees, korporaal-ziekenverpleger Gosal een Minahasser en seinersmaat Soewarso een Javaan.

Plunje wassen bij de Kweekschool voor Inlandsche Schepelingen
Keppy stelt vast dat op waarschijnlijk Soewarso na alle leidende Indonesiërs christenen zijn, juist de groepering die het meest trouw wordt geacht aan de overheerser en het meest volgzaam. Paradja en Rumambi vinden de dood. We krijgen een goede indruk van wat er zowel voorafgaand aan wal als tijdens de vaartocht aan boord gebeurde. Keppy noemt en citeert de hier genoemde personen en andere Indonesiërs uitgebreid aan de hand van onder meer de gerechtelijke verhoren achteraf. Dit tilt Kapal 7 uit boven andere publicaties over de Zeven Provincien.
Bombardement
Over de luchtaanval is vanaf het eerste moment het nodige te doen. De verontwaardiging in Nederland en Indonesië was enorm. Veel ging mis. Officier-vlieger Theo Coppers kreeg de opdracht, terwijl hij niet bij de voorbereiding betrokken was. Keppy is stellig over de opdracht die Coppers kreeg: Hij [Coppers] nam afscheid van de marine toen bleek dat de stemming zich tegen hem had gekeerd. De marineleiding nam het hem wellicht kwalijk dat hij weigerde te liegen dat de door hem geworpen bom een waarschuwingsbom was die per ongeluk een voltreffer werd.
Op het Linked-account van Herman Keppy lezen we dat Hans Blom hem thuis heeft bezocht om over de muiterij en de verslaggeving daarover met elkaar van gedachten te wisselen. Hun publicaties vullen elkaar goed aan. Kapal 7 gaat vooral over de muiters en hun beweegredenen en Bloms boek over de nawerking van de muiterij. Ze denken wel iets anders over de trieste beëindiging van de muiterij. Volgens Blom, die een collega-vlieger van de dader had gesproken, was het de bedoeling om de bom ter waarschuwing eerst naast het schip te gooien. Volgens Keppy werd de bom juist met opzet meteen raak gegooid, een andere collega-vlieger van Coppers schreef er een verslag over. De beide auteurs komen tot de conclusie dat het ware verhaal waarschijnlijk nooit meer boven water komt. De 33-jarige Theo Coppers is mogelijke gewetenswroeging op oudere leeftijd bespaard gebleven, op 4 januari 1940 kwam hij bij een vliegtuigongeluk boven Pernis om het leven.
Twee kampen
Wereldwijd wordt de muiterij gevolgd en verslagen. Leedvermaak is er over de commandant die in een boot zijn eigen schip volgt. In Nederland staan koloniale diehards en sympathisanten van de muiters lijnrecht tegenover elkaar. Twee uiterste kampen.
Leider van de Anti-Revolutionaire Partij Hendrik Colijn wil het schip zo nodig met een torpedo naar de bodem van de oceaan zenden. Op de golven van het rechtse verbale geweld kan hij op 26 mei 1933 het tweede naar hem genoemde kabinet gaan leiden. Henk Sneevliet komt met een vlammend manifest uit. Hij roept de opvarenden van de Nederlandse marine en de werklieden van de Marinewerven op:
Neem de leiding van den strijd van het Hollandsche proletariaat tegen hun misdadige regering die met de belangen van de arbeidersklasse speelt en die zich aan den grofsten hoon tegenover de werkloozen schuldig maakt.
Sneevliet wordt op 21 februari gearresteerd, omdat hij pamfletten probeerde te verspreiden in Den Helder. Sneevliet moet zijn actie bekopen met vijf maanden gevangenisstraf. Vanuit de cel komt hij voor de Revolutionair Socialistische Partij in de Tweede Kamer.
Kameraadschap tegenover nationalisme
In de epiloog wijst Herman Keppy erop dat de muiterij een daad was geboren uit kameraadschap, de beste eigenschap die een militair kan hebben. De autoriteiten konden geen begrip opbrengen voor de muiters. Inlandse matrozen die zelfstandig met een schip op zee konden varen? Dat ging hun koloniale voorstellingsvermogen te boven. De gevolgen van de muiterij waren groot: zware straffen, het verlies van partner, vader, zoon, broer, kostwinner, het verbod van de marine-vakbonden, de verkettering van het socialisme, de harde onderdrukking van de nationalistische beweging.
Herman Keppy vraagt zich af of het dit allemaal waard is geweest, maar stelt meteen daarop twee nieuwe, betere vragen. Hadden de muiters anders gekund? Zijn antwoord is: nee. Hadden de overheid en marine-autoriteiten meer empathie, compassie moeten hebben voor de muiters? Ja, zeker. Daar kunnen we alleen maar mee instemmen. Met daarbij de wens dat Kapal 7 in het Indonesisch wordt vertaald. Betaald door Defensie in Nederland. Die heeft nog wel wat goed te maken.
Het superioriteitsgevoel van de autoriteiten werd zwaar aangetast: gewone Indonesische schepelingen die zo'n pantserschip konden besturen, Nederlandse officieren daarmee in hun hemd zettend. Dat konden de gezagsdragers niet verkroppen. Wat een gezichtsverlies! En dan de Nederlanders aan boord, die zich solidair verklaarden met de Indonesische muiters of zich er niet tegen verzetten. Een deel van de schuldlast werd daarom verschoven naar de blanke vakbondsman Maud Boshart. Hij trad naar voren als een natuurlijk leider en had een kalmerende invloed op zowel officieren als Indonesische schepelingen.
Herdenkingen nakomelingen
165 bemanningsleden krijgen in showprocessen,opgeteld een gevangenisstraf van 715 jaar. Vijf Indonesische schepelingen waaronder Kawilaring werden door de Zeekrijgsraad, bevestigd door het Hoog Militair Gerechtshof, tot achttien jaar veroordeeld en verbannen naar Boven Digoel. Daar werden zij in 1942 door de Japanners bevrijd. Tuhumena krijgt twaalf en Parinussa zes jaar. Na de onafhankelijkheidsstrijd meldt Kawilarang zich aan bij de Indonesische marine. Hij overlijdt in 1960 tijdens actieve militaire dienst in de Riouw-archipel.
De veroordeelde Nederlandse bemanningsleden werden ondergebracht in de gevangenis in Leeuwarden. Maud Boshart werd aanvankelijk door de Zeekrijgsraad tot achttien jaar veroordeeld, het Hoog Militair Gerechtshof wijzigde het vonnis in tien jaar. Bij het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard werden de Nederlandse muiters en een deel van de Indonesische vrijgelaten.

Gevangenen op het eiland Onrust, gelegen in de Javazee
De op 10 februari 1933 gedode Indonesische schepelingen van Kapal 7 zijn in Indonesië niet vergeten. De muiterij wordt er gezien als een heroïsch symbool van verzet tegen het Nederlandse koloniale rijk. De laatste illustratie in het boek, op bladzijde 268, is die van het verzamelgraf op de erebegraafplaats Kalibata bij Jakarta. Op persoonlijk initiatief van president Soekarno zijn in 1958 de stoffelijke resten van de muiters van het vroegere eiland Kerkhof naar deze locatie overgebracht en plechtig herbegraven. Elk jaar herdenken nakomelingen van de gevallen Indonesiërs hier op 5 februari de muiterij.
Literatuur
* J.L. Swarte, Spreekpunt 1971. 25 jaar VBZ en wat daaraan voorafging. Uitgave van het hoofdbestuur van de Vereniging voor Belangenbehartiging van schepelingen bij de Zeemacht, VBZ, Den Helder 1971.
* Maud Boshart, De muiterij op de Zeven Provinciën. Ingeleid door H.J.A. Hofland. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1978.
* J.C.H. Blom, De muiterij op De Zeven Provinciën. Reacties en gevolgen in Nederland. 2e druk. HES Uitgevers, Utrecht 1983.
* Harry Peer, Daar komen de Jantjes. Uit de geschiedenis van de Matrozenbond (1897-1933). Vakbondshistorische Vereniging, Amsterdam 1997.
* R.L. Blom en Th. Stelling, Niet voor God en niet voor het vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van '14-'18. Uitgeverij Aspekt, Amsterdam 2004.
* Johan van de Worp, Rood noch oranje. De sociale strijd van de Nederlandse marinematroos 1870-1914. Uitgeverij Van Wijnen, Franeker 2022.
* Anne Doedens & Matthieu Borsboom, Over De Zeven Provinciën of van muiterij naar oproer, pp. 128-132, in: De canon van de Koninklijke Marine. Geschiedenis van de Zeemacht. WalburgPers, z.pl., zj.
* Herman Keppy, De laatste inlandse schepelingen. Molukkers in dienst van de Koninklijke Marine 1915-1965. Uitgeverij Focus, Amsterdam 1994.
* Herman Keppy, Muiterij op De Zeven Provinciën, pp. 42-49, in: Pendek. Korte verhalen over Indische levens. Uitgeverij West, Amsterdam 2013.
* Herman Keppy, KAPAL 7. Marine, matrozen en de muiterij van 1933. 288 pp. Uitgeverij West, Den Haag 2026.
Herman Keppy verdient een woord van dank voor het beschikbaar stellen van de gebruikte foto's.