nr. 102
juli 2001

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Stekeltjes

Burgermeisjes

Wanneer vroeger een zoon trouwde met een vermogende telg (zoals het geval was met een oom van me die verkering kreeg met een schippersdochter), dan zeiden ze niet hij trouwt met die of die, maar hij trouwt met een burgermeisje. Ik vond het toen al heel deftig klinken. Het klonk anders dan dienstmeisje, ateliermeisje, wasmeisje, typekamermeisje, mangelmeisje en ga zo maar door.

Misschien bestond er toen nog geen hypotheek op roerend goed, maar wat ik wel weet uit overlevering is dat het in de schippersfamilie van m'n tante niet toegestaan was buiten God om een deal te sluiten met de Boerenleenbank. Een schip moest in die tijd nog 'verorven' worden. Volgens m'n anarchistische grootvader deed z'n jongste zoon een ferme stap terug met dat getrouw van een burgermeisje-met-geld, terwijl de familie van de bruid van mening was dat zelfs een armoedzaaier met een diploma zoveel materieel geluk niet verdiende.

Het enige voordeel van de bruidegom was dat hij doorgeleerd had voor een carrière in het water. Nou zat onze halve familie daarin, veel loodgieters en zo, of op zee. Maar uitgerekend degene die ervoor doorgeleerd had, wilde niet op de vaart. Hij bleef wèl in het vak, werd machinist op het kleinste bootje van een Amsterdams sleepbedrijf.

Het was een geluk bij een ongeluk vertelde m'n grootmoeder bij iedere gelegenheid, want zodoende had haar jongste zoon toch mooi z'n burgermeisje leren kennen. Als het ware in de schaduw van een 500 tons ongeladen binnenschip dat destijds in het Buiten IJ op vracht lag te wachten. Met m'n tante in het gangboord.

Het was dus de allereerste keer dat in onze familie getrouwd werd met iemand met een bruidsschat. Hoewel de ouders van de burgerbruid al tijdens de ondertrouw duidelijk hadden gemaakt, dat zij gereformeerd waren. Streng in de leer en met de gewoonte om uitgevlogen dochters geheel en al te onterven, wanneer het geloof van de aanstaande niet geheel of geheel niet overeenkwam met het reformatorisch gedachtegoed.

"Als dat maar goed gaat", moet m'n grootvader toen gemompeld hebben.

Het ongenoegen over zo'n pessimistische prognose was groot. In beide families. En natuurlijk kreeg grootvader al bij voorbaat de schuld. "Jij ook altijd met je verhalen over Marat, wat moeten die burgermensen wel denken. Straks vertellen ze nog rond dat jij persoonlijk Antoinette hebt onthoofd."

Mijn grootvader, die wijs was, moet vast geantwoord hebben dat hij er sodeju niet eens bij was geweest en dat hij één en ander alleen wist van lezen. Waarna hij vast op weg is gegaan naar z'n landje.

Lopend. Vier kilometer heen en vier kilometer terug. Op de terugweg meestal langzamer vanwege de zware zak aardappelen op z'n rug. Daar was het landje namelijk voor. Een soort volkstuin, waarop van alles groeide dat gegeten kon worden. Er stond een manshoog hokje voor het gereedschap en waar bij regen, bliksem of donder slechts één volwassen man kon schuilen.

Gelukkig kwam er nooit bezoek op die moestuin. Want ook in die tijd kon het aardig kletteren. En wanneer de regen striemend langs onze balkonramen zwiepte, kon m'n grootmoeder nog heel lang erna mijmerend opmerken: "Nou, jouw grootvader zal z'n gemak er wel weer van nemen. Die staat lekker in z'n keetje te schuilen met een boek in z'n hand en z'n bril op." Alsof die bezemkast een riant onderkomen was en de kenner van de Franse revolutie, die Marat gekend had en Antoinette verkracht, nog leefde.

Stekeltje

PS1: Zijn die breedgerande hoeden van de burgermeissies in het Haagse jou niet opgevallen? De bruidegom krijgt niet eens de kans de bruid te kussen.
PS2: Er wordt trouwens beweerd dat de crinoline weer in de mode komt.