nr. 102
juli 2001

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Verborgen en vergeten geschiedenis - lijstenfabriek Gonkel

Op- en neergang van een familiebedrijf

In het eerste deel van ons tweeluik over de lijst- en spiegelmakers ("Vaklieden met een vergulden randje", nummer 101, mei 2001) introduceerden we al de lijstenfabriek Gonkel. Dit familiebedrijf, dat bestaan heeft van 1884 tot 1967, kwamen we tegen bij het palingoproer in de Amsterdamse Jordaan. Daar aan de Lindengracht begon het bedrijf. In dit tweede deel volgen we drie generaties Gonkel na de verhuizing naar de Nieuwe Kerkstraat.

Lijstenmakers, zoals Gonkel, hebben lang een bijzondere positie ingenomen. Zo heeft Rembrandt van Rijn de in schilderlijsten gespecialiseerde meubelmaker Herman Doomer en zijn vrouw Baertje Martens in 1640 geportretteerd. Doomer werkte veel met ebbenhout, een exotische houtsoort die in Amsterdam betrekkelijk gemakkelijk te krijgen was, omdat de schepen van de Oost-Indische Compagnie die meebrachten.

De werkplaats

De lijstenfabriek van Gonkel moeten we niet voorstellen als een ruime, prettige, frisse en goed geoutilleerde arbeidsomgeving die aan de normen van de huidige Arbo-wet tegemoetkomt. We geven een uitgebreide beschrijving, omdat 'de fabriek' als het ware model staat voor veel werkplaatsen in woningen in steden in ons land, zowel voor de lijsten- en spiegelmakers als voor de meubelmakers.

De woon- en werkfuncties van het huis waren sterk met elkaar verbonden. De voorkamer was de etalageruimte. Via een klein trapje kwam je achter in de woonkamer. Op de eerste verdieping was het kantoor. De werkplaats was tweehoog over de hele breedte van de zolderverdieping. In goede tijden werd er ook nog in het souterrain gewerkt. Zes of zeven personen stonden soms op elkaar gepropt boven in het atelier te werken. Er was weinig licht. Vanwege het handzagen kwam er veel houtstof vrij. Er werd met lak, lijm en verfstoffen gewerkt. Daar zaten schadelijke oplosmiddelen in. Het kon er dus behoorlijk stoffig en ongezond zijn en benauwd ruiken.

Even een technisch exposé over de aard van het ambachtelijk werk van lijstenmaker. Hoe komt nu een lijst tot stand? Stapsgewijs. Als eerste wordt een houten frame op maat gemaakt rondom het doek waarmee de klant was gekomen. Daarna werd het frame afgewerkt met pâte. Dat is een mengsel van kalk, beenderlijm en water. Elk bedrijf had daarvoor zijn eigen recept. De ornamenten werden los van de lijst gemaakt. Ook van pâte. Deze werden op de lijst geplakt. Het in elkaar zetten van lijsten was dus vooral lijmen. Tenslotte werd deze omlijsting verguld of geschilderd. De 88-jarige Elisabeth Gonkel heeft nog onder meer als passe-partoutsnijder gewerkt. Dat was overigens typisch werk dat wel aan thuisarbeiders werd uitbesteed.

De patroon

Het was beslist niet zo dat patroon Gonkel de werkzaamheden vanachter zijn bureau dirigeerde. Hij werkte gewoon met zijn gezellen mee. Evenals zijn familielieden. Deze patroon (en dan hebben we het over drie generaties Gonkel, allen Hillebrand van hun voornaam) maakte langere arbeidsdagen dan de gezellen. Hij begon eerder en eindigde later. 's Ochtends om zes uur ging hij aan de slag. 's Avonds deed hij de administratie. Op zaterdag liep het al gauw uit tot vier uur in de middag. De baas had als eerste de verantwoordelijkheid dat het werk af moest zijn op de leverdatum. Daar werd hij op aangesproken. Ging hij te veel over de leverdatum heen, was de kans groot dat de opdrachtgever de volgende keer een andere lijstenmaker nam. Liep het bedrijf goed, dan incasseerde uiteraard de patroon de winst en ontvingen de werknemers het afgesproken loon. Liep het slecht, kregen ze niets en werden ontslagen. Maar als de patroon een paar maanden later weer werk had, mochten ze terugkomen. Dat klinkt hard, maar Gonkel probeerde in zijn bedrijfsvoering economisch goede en slechte tijden wel te overbruggen. De bedrijfstak was er naar dat de inkomsten onregelmatig waren. Bij een goede opdracht kwam er veel geld binnen. Vervolgens kon het soms weken of zelfs maanden duren, voordat er weer een lucratief karwei was. In slappe perioden kocht Gonkel lijsten of schilderijen op veilingen en rommelmarkten. Die werden in het atelier opgeknapt en probeerde hij daarna weer op eigen titel te verkopen.

De bond

Naast het uitvoerende werk dat overeenkwam met dat van zijn werklieden, had Gonkel dus leidinggevende, administratieve, commerciële en organisatorische taken. Behalve in de bevoegdheden en verantwoordelijkheden waren er meer verschillen tussen patroon en knechts. Emiel Gonkel*) herinnert zich van zijn grootvader dat dit een werkgever was van de oude stempel: "De arbeiders moesten beleefd tegen hem zijn. Hij duldde geen tegenspraak. Hij was heel hiërarchisch, gesteld op regels. Zoals hij op zijn werk was, was hij thuis trouwens ook. In huis werd overigens niet over het bedrijf gepraat, dat waren mannenzaken." Emiel is zelf al meer dan 25 jaar vakbondslid, maar zijn grootvader had het als middenstander, als zakenman, niet zo op vakbonden. Het verhaal doet de ronde dat vakbondsmensen er niet inkwamen in zijn bedrijf. De oude baas zal het moeilijk hebben gehad met zijn dochter Elisabeth die al gauw, nadat ze startte als kleuterleidster, lid werd van de NVV-bond.

Het standsverschil tussen werkgever en werknemers kwam tot uiting in de kleding. De knechts droegen een blauwe overall, de baas een beige stofjas. Voorts droeg Gonkel een stropdas onder zijn jas. Wanneer een klant belde, keek hij door het zolderraampje naar beneden wie het was. Hij deed dan gauw zijn stofjas uit en een colbert aan. Borstelde snel zijn schoenen en ging dan de trap af om de klant te woord te staan.

De klanten

Wie waren die klanten? De opdrachten kwamen als eerste van musea voor het restaureren en inlijsten van schilderijen en prenten. Een tweede grote opdrachtgever was de individuele kunstenaar. Als deze een schilderij verkocht, moest er een lijst bij worden geleverd. Als de kunstenaar een paar jaar lang een rekening had open staan "dan kreeg opa wel eens een doekje", zegt Emiel. En inderdaad. Hij en zijn tante Elisabeth genieten nu van die erfenis.

De Gonkels stonden op goede voet met bekende schilders. John Smith (de zoon van de beroemde kunstschilder van Hollandse landschappen Hobbe Smith) schilderde H. Gonkel ter gelegenheid van zijn 72-ste verjaardag op 28 november 1926 en omdat hij in dat jaar tevens veertig jaar het bedrijf leidde. Drie kunstschilders en C.W.H. Baard, de directeur van het Stedelijk Museum, verenigden zich in een intiem comité "teneinde het daarheen te leiden dat die dag voor Gonkel niet onopgemerkt voorbijgaat en dat hem in intiemen kring een kleine verrassing worde bereid". Opa Gonkel was een vriend van Piet van Wijngaarde (1874-1964), bekend van bloemstillevens en boerentaferelen. Van Wijngaarde werd in zijn eerste periode sterk geïnspireerd door Vincent van Gogh. Ook heeft Gonkel ingelijst voor Richard Roland Holst.

De beter gesitueerden, directeuren van bedrijven, renteniers en dergelijke mensen leverden eveneens aardig wat werk op. De overige groep bestond uit echte liefhebbers van kunst, de gewone burgers die daar al hun spaarcenten instopten.

De ondergang

Tot diep in de jaren twintig floreerde de onderneming van Gonkel. In de neergang van dit bedrijf herkennen we een algemeen beeld. Vanwege de crisis in de jaren dertig liep het al terug. Na de Tweede Wereldoorlog kregen de kleinere ambachtelijke bedrijven in deze sector het erg moeilijk. Vanuit Italië werden zogeheten staaflijsten van drie tot vier meter lengte geïmporteerd. Je zaagde er de lengte af die je nodig had. Dat werd dan weer aan elkaar gelijmd. Alleen een select publiek koos voor het oude handwerk met ornamenten, de specialiteit van Gonkel.

Emiel Gonkel herinnert zich dat hij wel erg vaak van zijn grootvader hoorde "we hebben het toch altijd zo gedaan". Hij is van mening dat zijn grootvader niet aan vernieuwing van het bedrijf heeft gewerkt. Hij had bijvoorbeeld een galerie kunnen opbouwen. Door contacten met kunstenaars had hij lijsten kunnen maken en leveren en producten kunnen verkopen. Op een gegeven moment ergens in de jaren vijftig werkten alleen vader en zoon Hillebrand Gonkel nog in de werkplaats.

Het bedrijf ging over de kop. Zoon Gonkel kreeg meteen een aanbod voor een baan in het Rijksmuseum. Daar heeft de huidige directeur van het Stedelijk Museum, Rudi Fuchs, nog als stagiair bij hem gewerkt. Van huis uit een zelfstandig lijstenmaker heeft Hillebrand jr. misschien het hoogtepunt in zijn loopbaan bereikt als werknemer in loondienst, namelijk als restaurateur van tekeningen van Rembrandt voor de grote Rembrandt tentoonstelling in 1969. Emiels grootvader overleefde zijn zoon die in 1971 stierf. De in 1884 geboren grootvader overleed op zijn 94-ste in 1978.

Harry Peer

*)Emiel is de neef van Elisabeth Gonkel. Ik sprak hen samen op 25 maart 2001. Daaraan vooraf had ik een interview met Emiel over het vak van lijstenmaker op 3 februari 2001. Hij is gemeenteambtenaar en opgegroeid in het vak, maar er niet in werkzaam. In zijn vrije tijd doet hij onderzoek naar het vak en de bedrijfstak.

Foto Op en neergang van een familiebedrijf nr.102Hillebrand Gonkel I, II an III (60 kb)