nr. 102
juli 2001

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Neoliberalisme - scheef, schever, scheefst

Verrijking en verarming gaan hand in hand

Toen Lodewijk de Waal op de Dag van de Arbeid woorden als "kleptocratie van topmanagers" en "roofdierkapitalisme" in de mond nam, werd hij in de pers uitgemaakt voor Robin Hood en Don Quichote. Even was er beroering, en toen werd het weer stil. Waarom? Omdat De Waal alleen voor loonmatiging pleit en helemaal geen uitgesproken tegenstander van inkomensongelijkheid is? Omdat de werkgevers van VNO-NCW deze excessieve verrijking ook liever doodzwijgen? Terwijl grote groepen Nederlanders zelfverrijking van topmanagers en inkomensongelijkheid met lede ogen moeten aanzien. Velen profiteren helemaal niet mee van 's lands welvaart. De toenemende inkomensongelijkheid gaat niet alleen ten koste van een grote groep armen, maar ook ten koste van onderwijs, van zorg en van openbaar vervoer. Verrijking onbesproken laten, is de verarming negeren.

"De rijken zijn dit jaar weer rijker geworden. En flink ook." Zo begint een juichend artikel over de vijfhonderd rijkste Nederlanders in Quote 500. Beleggers en bezitters zien in het jaar 2000 hun kapitaal weer fors groeien. We hebben het goed voor mekaar. 'We are the best.' Dit steekt schril af tegen de daklozen en bijstandsvrouwen, tegen de 6.500 huisuitzettingen in 1998, tegen de armoede en de verslonzing van de zorgsector, het onderwijs enzovoort. En dan hebben we het niet over de wijze waarop via beursfraude rijkdom vergaard wordt. 'Are we the best?'

Momenteel is er in Nederland betrekkelijk veel aandacht voor armoede. Maar ook verrijking moet eens onder de loep genomen worden. Rijkdom hangt samen met armoede; beide zijn uitkomst van één en hetzelfde economische proces.

Ongelijkheid

De rijkste vijf procent van de Nederlandse bevolking bezit de helft van het totale privé-vermogen, terwijl driekwart van dezelfde bevolking slechts dertien procent bezit. De allerrijkste één procent bezit in totaal een kwart van de vermogens. Deze verdeling tussen arm en rijk wordt elk jaar onevenwichtiger. Het aantal miljonairs steeg tussen 1980 en 1995 van 23.000 tot 116.000 (schatting CBS). Ruud Vlek toont in zijn proefschrift aan dat het economisch herstel in Nederland vooral uit de zak van diverse groepen uitkeringsgerechtigden is betaald (R. Vlek, Inactieven in actie). Twintig jaar geleden verdiende een gemiddelde bedrijfsdirecteur zeven minimumlonen, nu tien. Bij zestig Nederlandse bedrijven ontvangen de directeuren gemiddeld meer dan een miljoen aan jaarsalaris.

Rijkdom en verrijking vind je vooral bij de grote bedrijven, ondernemers en hun netwerken. In de top drie van de Nederlandse ondernemers tref je als nummer één de familie Brenninkmeijer aan, eigenaresse van C&A, één van de grootste kledingwinkelketens ter wereld met een vermogen van 15 miljard (= 15.000.000.000!) gulden. Eindelijk krijgt Liesbeth Brenninkmeijer dan toch gelijk: zij vond altijd al dat haar familie een stuk rijker was dan de familie Fentener van Vlissingen (nummer drie). Een ander bekende miljardair, Freddy Heineken (nummer twee), heeft als grootaandeelhouder nog wel het nodige te zeggen over zijn eigen bedrijf, maar is inmiddels gepensioneerd als bestuurder; zijn bezit wordt geschat op 11,6 miljard. De familie Fentener van Vlissingen (SHV), 's lands rijkste schroothandelaar, Europa's grootste kolen- en gasboer en 's werelds slimste reisagent, beschikt over een vermogen van 9,2 miljard.

De overheid werkt mee aan de verrijking van bepaalde groepen. Ze schuift werknemers meer toe dan bijstandsgerechtigden, bijvoorbeeld door een belastingbijdrage bij de spaarloonregeling; huizenbezitters innen de aftrek van de hypotheekrente; degenen die al rijk zijn, hebben een belastingvoordeel bij de koopsompolis.

Rijkdom en verrijking leveren geen bijdrage aan de menselijke beschaving. Op zichzelf is rijkdom nogal plat. De fixatie op geld heeft weinig te maken met levenskunst en getuigt ook niet van een hoogstaande levensstijl. Extreme verrijking van een kleine elitegroep gaat ten koste van een grote groep armen. Het principe van medemenselijkheid houdt in dat eenieder naar vermogen bijdraagt aan de totstandkoming en het behoud van sociale grondrechten. Dit betekent een herverdeling, waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Gevoelens van verbondenheid en verantwoordelijkheid mogen geen gelegenheidspraatjes zijn, maar moeten daadwerkelijk in praktijk worden gebracht.

Private rijkdom, publieke armoede

Tegenwoordig zie je een verschuiving van publiek naar privaat. Er zijn steeds meer mensen die hun geld zoveel mogelijk in eigen zak willen houden, zonder te letten op de samenleving als geheel. Maar het op peil houden van de samenleving, vereist juist een verschuiving van privaat naar publiek. Vereist dat onze eerste aandacht niet uitgaat naar individuele belastingverlaging, maar naar het in stand houden van de bronnen van de publieke rijkdom, naar de zorg, het onderwijs, het openbaar vervoer, het groen, enzovoort. De vraag is: voor welke verrijking kiezen wij, voor een economische verrijking, of voor een sociale en ecologische verrijking?

De groei van de private rijkdom gaat momenteel hand in hand met private en publieke armoede. Dat betekent een kwalitatieve verarming voor de samenleving als geheel. Het neoliberale geloof - de markt werkt nu eenmaal autonoom - beheerst de huidige politiek. Er is een vernieuwing nodig; we moeten het publieke domein behoeden voor verschraling. Of liever, we moeten het kwalitatief verbeteren: we moeten naar een samenleving met een relatief meer gelijke inkomensverdeling.

In Nederland is een groter draagvlak voor nivellerende belastingmaatregelen dan voor denivellerende, zo blijkt uit onderzoek. Het democratisch gehalte van denivellering is dan ook twijfelachtig. Het lijkt erop dat een klein circuit van bedrijven en vermogenden zijn belangen beter doorzet dan de gemiddelde kiezer wil.

Rijkdom is niet los te zien van armoede. Het kortzichtig vergaren van rijkdom door de rijken en het laag houden van lonen tasten uiteindelijk de rijkdom zelf aan. Je kunt een parallel trekken met bijvoorbeeld het milieu: het negeren van het broeikaseffect betekent enorme kosten in de toekomst, nodig om land te beschermen tegen het water. Zo kun je ook de enorme migratiestromen zien als 'een koekje van eigen deeg'. Zelfverrijking gaat ten koste van de armen en veroorzaakt publieke armoede bij de zorg enzovoort. Zo'n tegenstelling arm/rijk is niet op te lossen onder kapitalistische verhoudingen.

Topsalarissen

Topondernemers blijken lak te hebben aan de roep tot loonmatiging die ze nota bene zelf via de ondernemersorganisatie VNO-NCW uitventen. Het oude argument voor deze "exhibitionistische zelfverrijking" (Kok) dat toptalent wegtrekt naar het buitenland, gaat niet op; het aantal vertrokken managers blijkt in de praktijk op één hand te tellen te zijn. Evenmin is de beloning altijd gekoppeld aan de resultaten; soms is die verhouding zelfs helemaal zoek. Een ander argument is dat hoge salarissen het resultaat zijn van het hoge 'afbrandrisico' voor topmanagers, zeg maar een soort gevarengeld. Ook dat argument gaat niet op; slecht functionerende managers mogen in Nederland doorgaans gewoon blijven zitten of ontvangen een gouden handdruk.

Het vergroten van verschillen in inkomen en vermogen is geen toeval; er zit een ideologie achter. In de jaren zeventig zou de nivellering in Nederland te ver doorgeschoten zijn, zodat het particulier initiatief, met name dat van de bedrijven, te weinig beloond werd. Daardoor zouden in de jaren tachtig een regen van faillissementen en een steeds toenemende werkloosheid zijn ontstaan.. Op deze weg voortgaand - nog steeds volgens die redenering - zou de motor van onze welvaart en werkgelegenheid gevaar lopen en het land uiteindelijk in gedeelde armoede wegzinken. Het belang van een sterke overheid en goede collectieve voorzieningen raakte op de achtergrond ten faveure van marktwerking, begrotingsevenwicht en toename van particuliere rijkdom. Op het ideologische vlak zag je een toenemende invloed van het monetaristisch en liberaal economisch denken. Het idee was dat lastenverlichting voor bedrijven en het goedkoper maken van arbeid het geneesmiddel was tegen alle kwalen. De officiële doelstelling hierbij was het bevorderen van de werkgelegenheid. Maar het beleid van vergroting van verschillen in inkomen en vermogen kent geen dwingende economische noodzaak en is dus in hoge mate ideologisch bepaald. Het getuigt wel van een bepaalde maatschappelijke moraal, een tendens van 'ieder voor zich'.

Leidt belastingpolitiek van lastenverlichting voor bedrijven en vermogende individuen enerzijds en het goedkoper maken van arbeid anderzijds inderdaad tot meer welvaart voor de meeste Nederlanders en de samenleving als geheel? Geert Reuten stelt dat werkgelegenheid alleen stijgt als bedrijven ook investeren (G. Reuten, Werk, werk, werk? Ruim baan voor financiers! 1998). Welnu, het aandeel van de investeringen in het nationaal inkomen is sinds 1980 gedaald van 33 naar 20 procent. Wel is de vermogenspositie van winstgevende bedrijven en van particulieren spectaculair gestegen. Zij gebruiken dit geld echter voor bedrijfsovernames in het buitenland, speculatie en beleggingen.

Op die manier komt er weinig terecht van vooruitgang van de lagere inkomens, dus van een eerlijke verdeling van de welvaart. Een samenleving met een evenwicht tussen bedrijvigheid enerzijds, en zorg, onderwijs, openbaar vervoer en groen anderzijds, is pas echt 'een rijke samenleving'.

Gerard Raemaekers
(freelancer bij Stichting Aarde)