nr. 105
feb 2002

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Henk Sneevliet (1883-1942) - in de nationale en internationale arbeidersbeweging *)

Pionier zonder dogma's

Henk Sneevliet is een intrigerende persoonlijkheid. Ontegenzeggelijk had geen andere Nederlandse socialist van zijn generatie zo'n creatieve en actieve internationalistische loopbaan. Hij behoorde tot de oprichters van drie communistische bewegingen: de Nederlandse, de Indonesische en de Chinese, en hij speelde een prominente rol in de beginjaren van de Communistische Internationale. Hij was daarnaast een indrukwekkend vakbondsleider, leider van het NAS vanaf het begin van de jaren twintig tot aan de oorlog. En hij was partijleider - van de RSP, later van de RSAP en haar voortzetting tijdens de oorlog, het MLL-Front - tot aan zijn arrestatie in 1942. De RSAP was een bijzondere partij. Ze was geen kleine propagandagroep, maar ze was evenmin een massapartij. Ze zat er ergens tussenin.

Sneevliet werd aan het einde van de negentiende eeuw (1883) in Rotterdam geboren. Hij kwam uit een katholiek milieu. Zijn vader was achtereenvolgens klerk, sigarenmaker en gevangenbewaarder, een wisselend bestaan dat de armoede en het gebrek in huis niet kon uitbannen. Met financiële hulp van buitenaf werd de begaafde jongen niettemin in staat gesteld de HBS te volgen. Na zijn schooltijd kwam hij bij de spoorwegen terecht. Met zijn ambitie en intelligentie bestonden in die begintijd zeker mogelijkheden zich te ontplooien in de vakbeweging, in zijn geval in de Vereniging van Spoor en Tramwegpersoneel, die na de zo dramatisch verlopen algemene spoorwegstaking van 1903 wederom moest worden opgebouwd.

Het optreden van Sneevliet werd sterk beïnvloed door de conjunctuur van de Nederlandse arbeidersbeweging. Daarin zijn in de eerste helft van de twintigste eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog een viertal fasen te onderscheiden:

- De expansieperiode tot 1913/1914.

- De oorlog en de periode van de revoluties, 1914-1920.

- De aantrekkingskracht van het zich ontplooiende Sovjet Rusland tot 1923/1924.

- De neergang van het revolutionair socialisme, onderbroken door opflakkeringen in het begin van de jaren dertig - uitmondend in het isolement en de malaise onder invloed van stalinisme en fascisme, 1923-1940.

De expansie

In de jaren tot 1914 rijpten de maatschappelijke krachten die voorwaarde vormden voor de consolidatie van het reformistische karakter van de Nederlandse arbeidersbeweging. Onder invloed van de late, trage industrialisatie vond vanaf 1895 een uitbreiding en vernieuwing van de arbeidersklasse plaats. De economische groei viel samen met de lange opgaande golf en zorgde voor reële verbeteringen, het stijgen van het onderwijsniveau en het tot stand komen van de eerste sociale wetgeving. De gunstige verkiezingsresultaten gaf de SDAP gelegenheid de effectiviteit van haar politiek, vooral op gemeenteniveau, te demonstreren.

Deze ontwikkelingen versterkten het reformistische karakter van de Nederlandse sociaal-democratie. Een kenmerk dat al in aanleg aanwezig was, toen de SDAP zich in de jaren negentig van de negentiende eeuw losmaakte van de antikapitalistische, anarchistisch geïnspireerde 'oude beweging'. De SDAP was van meet af aan sterk parlementair gericht, hervormingsgezind, antiradicaal en antirevolutionair.

De vergaande aanpassing van de partij aan haar politieke omgeving (denk bijvoorbeeld aan de schoolkwestie, de agrarische kwestie en de bereidheid tot samenwerking met de liberalen) riep weerzin op bij een kleine groep intellectuelen rond het theoretische maandschrift De Nieuwe Tijd. Figuren als Gorter, Pannekoek, Roland Holst en Pieter Wiedijk beriepen zich op een radicaal Kautskyaans marxisme en zetten zich fel af tegen de gematigde P.J. Troelstra. Iets later voegde zich bij de opposanten ook de Tribune groep, veelal jongeren onder leiding van Wijnkoop, Van Ravesteyn en Ceton die aan de theoretische kritiek van De Nieuwe Tijd groep een praktische dimensie wilden geven. Door beide groepen werd de jonge Sneevliet, die zich in 1902 bij de SDAP had aangesloten, geïnspireerd.

Toen de Tribune groep in 1909 in Deventer gedwongen werd met de SDAP te breken, ging Sneevliet, evenmin als zijn strijdmakker Henriette Roland Holst, daarin mee. Ze beschouwden de groep, uit welke niet veel later de SDP voortkwam, als te sektarisch, te steriel en te geïsoleerd. Het ging inderdaad om een kleine groep marxisten die zich zonder noemenswaardige ervaring in de klassenstrijd en zonder arbeidersaanhang van de hoofdstroom liet afscheiden. Tot 1917 ging het hooguit om enkele honderden personen, te weinig en vooral te weinig proletarisch om voor Sneevliet een alternatief te vormen. Liever bleef hij nog enige tijd bij de SDAP waar de massa van de arbeiders zich in verbinding met het NVV ophield en waar nog niet alle vuur van de oppositie gedoofd was (blijkens het afwijzen van regeringsdeelname in 1913, de kritiek op de godsvredepolitiek en de steun voor de revolutiepoging in 1918). Pas na de afsplitsing van de OSP in 1932 komt de SDAP definitief in stilstaand reformistisch vaarwater terecht.

Het duurde nog twee jaar vooraleer Sneevliet in 1911 met de SDAP brak, en wel na het verloren gaan of correcter na het door de SDAP in de steek laten van de Haven- en Zeeliedenstakingen in Rotterdam en Amsterdam. Een herhaling van 1903 was voor Sneevliet onaanvaardbaar. Hij zegde zijn lidmaatschap op en sloot zich aan bij de SDP. Veel activiteit heeft hij er niet ontplooid, want zoals voor velen die in het vaderland vastliepen, lonkte Indonesië als een toevluchtsoord met vooruitzichten.

Concluderend kan gezegd worden dat de intelligente, ambitieuze Sneevliet vooral een practicus was; hij had een activistische, enigszins arbeideristische inslag. Als vakbondsman verkoos hij het werken met grote groepen boven een steriele oppositie. Het zoeken naar arbeidersaanhang was hem liever dan het opgesloten raken in een weliswaar zuiver, maar weinig invloedrijk 'kapelleke'. Tekenend is dat hij de SDAP niet verliet in 1909, maar pas twee jaar later, in het kielzog van een door leiders van de SDAP en het NVV gebroken Amsterdamse havenstaking. Hij werd weliswaar lid van de SDP, maar verkoos het leven voort te zetten in Indonesië. Van het in zijn ogen vruchteloze oppositiewerk van de marxistische Tribune groep ging te weinig aantrekkingskracht uit.

Revolutie en Indonesië

Vanaf 1913 is Sneevliet in Indonesië te vinden. Zes jaar zou hij daar blijven tot hij in 1919 uitgewezen werd. Hij deed er belangrijke ervaringen op. Hij werd actief in de spoorwegbond, stond aan de wieg van de Indische Sociaal-Democratische Vereniging (ISDV, de latere PKI), streed tegen de koloniale overheersing en droeg bij aan de radicalisering van de Sarekat Islam, de islamitische nationalistische massabeweging.

Na een kort intermezzo in Nederland (Sneevliet werd in 1919 wegens revolutionaire propaganda uit Indonesië verbannen), opende de Russische revolutie hem opnieuw de poorten tot Azië. Op het tweede Congres van de Communistische Internationale in 1920 werd hij naast Lenin en de Indiër Roy gekozen tot secretaris van de Commissie van Nationale en Koloniale kwesties. Vanaf dat moment continueerde hij zijn revolutionaire werk onder de partijnaam Maring in dienst van de Comintern.

Beter dan wie ook begreep Sneevliet het belang van de Aziatische nationaal democratische beweging. Hij was één der eersten die het ontstaan bestudeerde van een brede op boeren steunende nationale beweging. In Indonesië en even later ook in China. Veel van zijn ideeën over semi-koloniale en koloniale landen werd geïntegreerd in de internationale revolutionaire beweging. Hij beklemtoonde het belang van alfabetisering en hij leerde de betekenis kennen van religie. Hij kantte zich tegen een arrogante houding jegens de Islam en had begrip voor de potentieel revolutionaire, anti-imperialistische dimensies ervan in vele Aziatische en Afrikaanse landen.

Sneevliet vervulde een ware pioniersrol en op vele problemen formuleerde hij als eerste antwoorden. Vanzelfsprekend maakte Sneevliet daarbij fouten en volgens een enkeling schuwde hij enig opportunisme niet. Van hem kwam bijvoorbeeld het idee dat de Chinese communisten zich moesten organiseren in de Kwomintang (KMT). Het idee vloeide voort uit de tactiek van samengaan van communistische partijen met revolutionair nationalistische massabewegingen onder burgerlijke of kleinburgerlijke leiding in een anti-imperialistisch eenheidsfront. Trotsky heeft zich nooit tegen een dergelijk front verzet, wel keerde hij zich tegen het opgeven van de onafhankelijke communistische organisatie en het onafhankelijke communistische vakbondswerk. Het zou communisten tot een hulpeloos aanhangsel van de KMT veroordelen. Toen Sneevliet zijn ideeën als reactie op Trotsky's kritiek bijstelde, werd hij voor Moskou minder aanvaardbaar. Moskou stelde op dat moment een groot vertrouwen in de KMT leiders Sun Yat-sen en iets later Tsjiang Kai-sjek en vreesde dat deze in een onafhankelijke communistische organisatie een teken van wantrouwen zagen. Sneevliet werd uit China weggewerkt en geplaatst op het Oosters Bureau in Moskou. Daar was hij getuige van de zich ontplooiende strijd van de linkse oppositie tegen de Stalin-fractie en kreeg sympathie voor Trotsky.

Samenvattend kan gezegd worden dat Sneevliet één der eersten was die aandacht vroeg voor de gekoloniseerde landen. Hij stelde het westerse, eurocentristische marxisme met haar exclusieve oriëntering op de arbeidersklasse ter discussie en verdedigde de aandacht voor de revolutionair nationalistische, op boeren gebaseerde, bewegingen. Daarbij erkende hij het revolutionair utopische potentieel van de Islam. Het laat zien dat Sneevliet voor alles gericht was op zelforganisatie van de massa.

Sovjet Rusland

Na de frustrerende ervaringen met de Comintern keerde Sneevliet in 1924 terug naar Nederland en ging er aan de slag met de opbouw van het Nationaal Arbeids Secretariaat, de radicale, syndicalistische vakbeweging ter linkerzijde van het NVV. Hij werd gekozen tot betaald voorzitter.

In deze periode zet zijn ambivalentie ten opzichte van Sovjet Rusland door. Enerzijds blijft hij geloven in de potentiële mogelijkheden van dit post kapitalistische land. Anderzijds wordt hij verontrust door de autoritair disciplinaire tendensen, al houdt hij zijn kritiek voorlopig op zak.

Sneevliet voelde zich meer en meer in een minderheidspositie gedrukt. Hieraan droegen twee ontwikkelingen sterk bij. In de eerste plaats zette de bolsjewisatie vanaf 1924 door, dat wil zeggen de onderwerping van de Comintern en de bij haar aangesloten secties aan de politiek van de Sovjetpartij. Het leidde overal tot het royement van de Trotsky aanhangers. In de tweede plaats veranderde de Comintern op bevel van Moskou zijn vakbondspolitiek, waarin op de duur voor arbeid in de onafhankelijke revolutionaire, syndicalistische vakbonden geen plaats meer was. In zijn streven naar samenwerking met het reformistische IVV bepaalde de RVI dat de communisten zich dienden te organiseren in het NVV.

Voor kritische opposanten à la Sneevliet beloofden die ontwikkelingen weinig goeds. Een royement op termijn en een doodsteek aan het NAS waren een vooruitzicht waar Sneevliet vanzelfsprekend niet mee kon leven. Enig respijt genoot Sneevliet zolang Moskou een arbeidersbasis voor de CPH in het NAS belangrijker vond dan het tot elke prijs doorzetten van een zielloze vakbondspolitiek van samenwerking met het NVV. Maar toen rond 1926 de discipline in De Internationale geen afwijking meer toeliet, was het met Sneevliets onafhankelijke positie gedaan en kwam een breuk naderbij.

De zorg om het voortbestaan van het NAS dicteerde aan Sneevliet het tempo waarin zijn strijd tegen het stalinisme vorm kreeg. Men kan de vraag stellen of Sneevliet hierbij niet een tijdige, consequente anti-stalinistische oppositie opgeofferd heeft aan wat historisch een achterhoede gevecht bleek te zijn, namelijk de verdediging van het NAS. Voor Sneevliet leek alleen het NAS van belang. Zelfs van een voorzichtige samenwerking met het NVV, zoals voorgesteld door de linkse NVV-bestuurder en SDAP-er Edo Fimmen, moest hij niets weten. Volgens hem waren NVV en SDAP hopeloos reformistisch en mocht er niets van worden verwacht. Daar tegenover roemde hij het NAS - ondanks al zijn beperkingen - als een bestaande revolutionaire organisatie en een factor in de klassenstrijd.

1926/1927 Was voor Sneevliet een bewogen jaar. Omwille van het NAS brak hij met de RVI en de Comintern, voor welke organisaties conformeren aan de lijn van Moskou een dwingende plicht was geworden. Veel medestrijders van het eerste uur die Sneevliet ook persoonlijk goed had leren kennen, werden in Sovjet Rusland en daarbuiten als trotskist vervolgd.

Ook op Java in Indonesië was de communistische beweging op een doodlopende weg beland. De opstand van 1926 was verpletterd en de PKI gedecimeerd. In China overkwam de communisten hetzelfde. De KMT en Tsjiang Kai-sjek, de geprivilegieerde bondgenoot van Josef Stalin, ontpopten zich als een bende moordenaars. De ontwikkelingen grepen Sneevliet bijzonder aan.

Isolement

Vanaf 1927 werkte Sneevliet aan de opbouw van een onafhankelijke politieke organisatie, de Revolutionair Socialistische Partij (RSP), die sterk werd beïnvloed door zijn vriendschap met Trotsky en zijn respect voor Trotsky's ideeën.

Er leken rond die tijd mogelijkheden tot een doorbraak. De officiële communisten hadden met hun politiek van sociaal fascisme weinig aantrekkingskracht. En in en buiten de SDAP waren oppositionelen (Roland Holst en de BKSP; Kolthek, Stenhuis) op zoek naar een alternatief. Toch bleek de RSP dat alternatief niet te worden.

De oorzaak lag zowel in objectieve als in subjectieve factoren. De jaren dertig lieten in Europa, en zeker in Nederland, een daling van strijdbaarheid van de arbeidersbeweging zien. Het beperkte de mogelijkheden van revolutionair socialisten aanzienlijk. De RSP en later ook de RSAP vielen terug op de politieke kern in het NAS. En deze stelde, Sneevliet voorop, weinig vertrouwen in samenwerken met de sociaal-democratie. Daarmee sloot ze zich af, niet alleen voor linkse sociaal-democraten, maar ook voor oppositioneel communistische stromingen. Deze oriënteerden zich in overgrote meerderheid, al of niet op gezag van Trotsky, op de massavakbeweging en niet op het syndicalisme.

Het betekende dat het revolutionair socialisme in Nederland in de jaren dertig politiek geïsoleerd raakte en dat Sneevliet als het ware verzwolgen werd in een bikkelhard gevecht om het voortbestaan van zijn beweging. Daarin had hij op te tornen tegen burgerlijke repressie, tegen het benepen reformisme van de sociaal-democratie, tegen het agressieve stalinisme van de CPN en ten dele ook tegen Trotsky en de door deze in 1938 gestichte Vierde Internationale. Bij dit laatste speelde een viertal conflictpunten een rol: de kwestie van het NAS, de intredepolitiek (The French-Turn), de houding tegenover de Spaanse POUM en het besluit om over te gaan tot oprichting van de Vierde Internationale. Hier wordt slechts ingegaan op de wrijvingen die tussen Trotsky en Sneevliet persoonlijk ontstonden.

Waarschuwing

In 1936 brak tussen Sneevliet en Trotsky een conflict uit. Het is moeilijk oorzaken aan te wijzen, maar het kan zijn dat Sneevliet in de ogen van Trotsky te verzoenend was jegens anderen. Sneevliet koesterde een diepe vriendschap voor de Spaanse revolutionair Andres Nin. Door hun vriendschap was Sneevliet geneigd politieke fouten van Nin, die Trotsky een doorn in het oog waren, te vergoelijken. Sneevliet liet de vorming van de POUM via een fusie met de 'rechtse oppositie' van de Spaanse Communistische Partij onbesproken, en stond met de rug naar de aanpassing van de POUM aan de Volksfrontregering van de Republiek en de poging de revolutionaire strijd te ontwapenen.

Het wekte de begrijpelijke woede van Trotsky. Het waren geen te verwaarlozen tactische meningsverschillen. Het ging om principes. Terugkijkend valt op hoe overdreven sterk Trotsky's reactie was. Zijn kritiek was wellicht terecht, maar hij kwam tot een oordeel over Sneevliet dat even lomp als beschamend was. Hij beweerde dat Sneevliets opportunistische houding niet toevallig was, maar voortkwam uit de afhankelijkheid van het NAS. Het NAS, zo redeneerde Trotsky, was met gouden boeien geketend aan de overheid van welke het subsidies ontving. Zodra de oorlog uitbrak, zou Sneevliet onder materiële druk voor de eigen bourgeoisie bezwijken. Toen het zover was, bleek Trotsky's voorspelling over Sneevliets capitulatie niets waard. Sneevliet deed het tegendeel van wat Trotsky verwachtte. Hij ontbond als eerste niet alleen het NAS en de RSAP, maar ging ook als eerste onder de vlag van het MLL-front de illegaliteit in. Hij werd een voorbeeldig verzetsstrijder. In 1942 arresteerde de Gestapo de gehele leiding van het MLL-front en sleepte haar voor het gerecht. Het was de eerste en enige veroordeling van een revolutionair marxistische tendens tijdens de nazi bezetting.

De blunder van Trotsky moet een waarschuwing zijn. Een waarschuwing tegen het beslechten van conflicten met sociologische en sociaal-psychologische verklaringen. We zoeken naar dit soort verklaringen, vooral wanneer we oog in oog staan met belangrijke veranderingen in de klassenstrijd, zoals bijvoorbeeld na de capitulatie van de Duitse communisten voor Hitler. Maar om datzelfde te doen bij politieke disputen in kleine groepen, is gevaarlijk. Het leidt meestal tot volstrekt onjuiste voorspellingen. En iemand eenmaal ontmaskerd als agent van de bourgeoisie, klein burgerlijke opportunist of hopeloze sektariër, is er geen weg terug. Wie wil met zo iemand nog in dezelfde partij?

Grote invloed

Tot slot nog een opmerking over de bijzondere relatie tussen RSP/ RSAP en het NAS. Eerder werd gesteld dat de RSAP meer was dan een kleine propagandagroep. Het was geen massapartij, maar wel een relatief sterke partij met een aanzienlijke arbeidersbasis. Daaraan heeft de band met het NAS sterk bijgedragen. Het voorkwam dat de RSAP gereduceerd werd tot één van de vele marxistische propagandagroepjes, zoals elders in Europa met de revolutionair socialistische beweging het geval was.

Via de persoon van Henk Sneevliet kreeg dit complex van RSP/RSAP/NAS zijn cohesie en op basis daarvan kon Sneevliet ook internationaal een rol spelen. Maar dat voordeel was tegelijk een nadeel; de relatie met het NAS stond uiteindelijk een aansluiting bij de Vierde Internationale in de weg. Het betekende dat de RSAP op de duur niet kon profiteren van de ervaringen van revolutionairen over de nationale grenzen heen. Samen met de stagnatie van het syndicalisme, kenmerkend in de moderne industriële samenleving, leidde dat uiteindelijk tot het verdwijnen van de RSAP.

Het bevestigt wat ook over andere oppositiestromingen voor de oorlog gezegd kan worden. Al waren de Leninbund van Hugo Urbahns, de POUM of de Duitse SAP tientallen, soms honderden keren groter dan de secties van de Vierde Internationale, de kleine trotskistische groepen bleven bestaan, terwijl de grote nationale, revolutionair socialistische organisaties verdwenen. Een verklaring kan zijn dat deze organisaties niet in staat waren de ervaringen van revoluties en contrarevoluties op verschillende continenten en van verschillende generaties te belichamen. Het onderstreept het belang van het idee van Marx en Engels, van Lenin en Trotsky dat het kapitalisme alleen op nationale basis niet te overwinnen is en dat daarom een internationale partij moet worden opgebouwd.

Sneevliet behoorde met Nin tot de twee belangrijkste vooroorlogse Europese trotskisten. Zijn invloed was buitengewoon groot. Dat besefte ook Seyss-Inquart die het gratieverzoek van nota bene de rechters die Sneevliet ter dood veroordeelden, van de hand wees. Seyss-Inquart liet weten "Sneevliet als het prototype te beschouwen van een revolutionair op internationale grondslag" en was bang dat "zijn intelligentie hem tot de gevaarlijkste tegenstander van elke staatsorde maakte". Sneevliet werd met zes van zijn strijdmakkers op 13 april 1942 gefusilleerd.

Nog elk jaar wordt deze dag in herinnering gebracht door een groep revolutionair socialisten die op de begraafplaats in Velsen waar de doden zijn herbegraven, bijeenkomt. Het is een traditie die we moeten voortzetten, zoals we ook de herinnering aan Andres Nin, die in Spanje door de stalinisten werd vermoord, bij ons moeten houden.

Jan Willem Stutje

Verder lezen:
* Waarom schrijf je nooit meer? Briefwisseling Henriette Roland Holst - Henk Sneevliet. Bezorgd door Nico Markus, met een inleiding van Fritjof Tichelman, Amsterdam 1995.
* Fritjof Tichelman, Henk Sneevliet. Een politieke biografie, Amsterdam 1974.
* Max Perthus, Henk Sneevliet, Revolutionair-Socialist in Europa en Azië, Nijmegen 1976.
* Wim Bot, Tegen fascisme, kapitalisme en oorlog, Het Marx-Lenin-Luxemburg Front juli 1940-april 1942, Amsterdam 1983.

Lijst van afkortingen

BKSP Bond van Kommunistische Strijd- en Propagandaclubs.
ISDV Indische Sociaal Democratische Vereniging.
IVV Internationaal Verbond van Vakverenigingen.
KMT Kwomintang.
MLL-front Marx-Lenin-Luxemburg-front.
NAS Nationaal Arbeids Secretariaat.
NVV Nederlands Verbond van Vakverenigingen.
OSP Onafhankelijk Socialistische Partij.
PKI Partai Kommunis Indonesia.
POUM Partido Obrero de Unificación Marxista.
RSP Revolutionair Socialistische Partij.
RSAP Revolutionair Socialistische Arbeiderspartij.
RVI Rode Vakbonds Internationale.
SDAP Sociaal-Democratische Arbeiderspartij.
SDP Sociaal-Democratische Partij.


Liever zoeken naar arbeidersaanhang dan opgesloten raken in zuivere, maar steriele oppositie.
Als één van de eersten vroeg Sneevliet aandacht voor de strijd in de gekoloniseerde landen.

*) Deze tekst is een bewerking van een inleiding die gehouden is tijdens een scholingsweekeind van de Internationale Socialisten, 2-4 november 2001 in Amsterdam.