|
nr. 110 nov 2002 |
Solidariteit
Vladimir Majakovski, 1893-1930Keer je eigenste binnenste buiten!Vladimir Majakovski is de meest vereerde en verguisde Russische dichter van de twintigste eeuw. In 1893 in Georgië geboren, werd hij op zijn vijftiende lid van de Moskouse Bolsjewistische partij en vervolgens meerdere malen gearresteerd. Tijdens en na de revolutie van 1917 speelde hij een grote rol. Hij schreef toneelstukken, gedichten over sociale vraagstukken, liefdesgedichten, propagandaposters en reclameteksten. Als individualist, communist en rebel paste hij in de loop van de jaren twintig steeds minder in de officiële kunstdoctrine van het sociaal-realisme. Dit leidde ertoe dat zijn bewegingsvrijheid zowel intellectueel als fysiek beperkt werd, hetgeen van grote invloed geweest moet zijn op de zelfdoding van 1930. Zijn werk is in het Nederlands vertaald door Marko Fondse, onder meer in de bundels Luidkeels en Ik heb lief (G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1979 en 1988).
Hymne aan de criticusUit de passie van waswijf en lief- aapjeskoetsier van beroep - resulteerde een keer een onappetijtelijk ventje. Zo'n koter poot je niet zomaar bij het huisvuil neer op de stoep. Dus snotterde moe wat en doopte hem Recensentje. (fragment, 1915, opgenomen in Luidkeels) Te vroeg gejuichtKameraad!er dient meer geschied dan enkel je jasje te keren. Keer je eigenste binnenste buiten! (fragment 1918, opgenomen in Luidkeels)
Dit is een kerk (uit Mysterium Buffo, 1918; toneelstuk over de revolutie)
De lantaarnaansteker zegt: (uit Mysterium Buffo, 1918) ProloogVan uverliefdheidsdoorweekten wier traan geen millennium droogt ga ik vandaan en als monocle steek ik de zon in mijn wijdgespalkte oog. (fragment, 1914-1915, opgenomen in Luidkeels) Koopjes halenGeen studerende juffrouwzal tegen bedtijd vergeten zich aan mijn verzen eerst nog een flauwte te lezen. Ik ben pessimist, er zullen op aard, zeker weten, altijd studerende juffrouwen wezen. (fragment, 1916, opgenomen in Ik heb lief) LenteDe stad slaakt zijn wintertooi.De sneeuw heeft met snot gemorst. Daar heb je ze weer, de lente, de dooi, drammerig, zot als een adelborst. (1918, opgenomen in Ik heb lief) Het gebruikelijke patroonLiefde krijgt ieder individumee vanaf de geboorte. Maar tussen de verplichtingen enzovoort om den brode en meer van die daaglijkse noden versteent 's harten grond tot de bodem. Mijn hart kreeg een lijf aan, het lijf weer een hemd. En kon het daarbij nou maar blijven! - maar nee een gek verzint de manchet en zijn front moet van stijfsel stijfstaan. Opeens - niet meer twintig - zij aan de crème en de rimmel, hij aan het zwemmen en trimmen. Maar té laat. Door rimpels vermeerdert de huid. De liefde bloeit, bloeit uit - en verschimmelt. (fragment uit Ik heb lief, november 1921-februari 1922) OktoberVernietigwat oud is
Sla het (uit Mysterium Buffo, 1918) |