nr. 116
dec 2003

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Reactie op ingezonden commentaar

Veranderingen in de arbeid veranderen actiemogelijkheden

Beste Rob, allereerst een woord van dank voor je reactie. Te weinig woedt in onze geledingen het debat en juist daarin onderscheidt onze politieke cultuur zich weinig van de dominante polderlandse verhoudingen. Je opmerkingen helpen ons en stellen ons in staat om onze positie scherper te bepalen; onder meer door ons af te zetten tegen het standpunt dat jij verwoordt.

Het themadeel van het zomernummer van Solidariteit hebben we gebruikt om - ook zelfkritisch - terug te kijken op de verloren strijd van uitkeringsgerechtigden en laagstbetaalden. En dus op de gevoerde strategie in het licht van de door ons geschetste economische en politieke veranderingen. Tenslotte vroegen we ons af hoe de verdeling van de welvaart in ons land opnieuw aan de orde gesteld en een gegarandeerd bestaansminimum bepleit kon worden.Ondanks het huidige offensief van rechts en opvattingen in sociaal-democratische kringen dat de slachtoffers van het gevoerde beleid schuldig zijn*), delen velen de visie dat de inkomensongelijkheid in ons land kleiner moet worden. Dit blijkt uit studies van het Sociaal en Cultureel Planbureau.**) Onze agenda omvat onder meer een zoektocht naar organisaties en personen die deze visie onderschrijven en die we voor ons doel kunnen 'mobiliseren'.

Andere coalities

Welbewust hebben wij in onze artikelen elke uitwijding over een basisinkomen gemeden. In de eerste plaats, omdat in het daarover gevoerde debat de kwestie van de welvaartsverdeling niet rechtstreeks wordt gesteld. Verder onderschrijven wij de leuze van 'bijdragen naar vermogen en ontvangen naar behoefte'. En wel in een perspectief van 'bevrijding van de arbeid' tot en met een 'bevrijding uit de arbeid', van duurzame economische krimp en van arbeidstijdverkorting bij een afnemende inkomensongelijkheid. In die zin kan ons misschien wel worden aangewreven dat wij persoonlijk de gesel van de loonarbeid bewust mijden. Maar het idee dat wij de aard en wijze van de maatschappelijke productie aan 'het kapitaal' zouden laten, gaat ons te ver.

Juist door het (opnieuw) problematiseren van enkele bouwstenen van de verzorgingsstaat die nu voor onze ogen afgebroken wordt, ontdekken wij mogelijkheden om tegenstellingen en belangenverschillen in het heersende blok zichtbaar te maken. Zo zal een andere financieringswijze van de sociale zekerheid, zoals een belasting op toegevoegde waarde, de verschillende groepen kapitalisten en hun slippendragers tot een andere 'speelwijze' dwingen.

Wij nemen noch in politieke, noch in praktische zin afscheid van het proletariaat en zoeken juist naar een coalitie van andere maatschappelijke en politieke krachten dan die waarop wij de afgelopen decennia hebben vertrouwd. Daartoe schuwen wij ook geen argumenten uit de liberaal-democratische traditie. Deze heeft immers historisch gezien niet alleen Bolkensteinen, Zalmen en Bossen voortgebracht. Ook marxisten komen uit die traditie voort en anderen die voor een sterke en sociale 'staat' pleiten, juist om het vrije democratische verkeer in de publieke ruimte mogelijk te maken en te houden. In dat verband benadrukken wij dat onze 'gedroomde' revolutie een democratische is.

Wij herkennen ons helemaal niet in het 'arbeiderisme' dat jij koestert. De visie, waarin mensen - ook tegen hun wil en onder bedenkelijke voorwaarden en omstandigheden - via hun arbeid dichter bij de hen toebedachte bestemming van revolutionair subject komen. Naar ons idee manifesteert de 'klassenstrijd' zich op vele fronten, en zal voor elk front de meest geëigende sociale basis moeten worden gezocht om tot organisatie te komen. Wij voelen ons meer thuis in autonome organisaties, in zelfbeheer en participatieve democratie. De goed georganiseerde arbeiders voeren helemaal niet automatisch de solidariteit hoog in het vaandel. Om nog maar te zwijgen over het feminisme en het antiracisme.

Generatiewisseling

Wat betreft de structuurveranderingen van en in de productieorganisaties hebben we de ontwikkelingen niet willen overdrijven. De situatie in veel werkplaatsen is, afgezien van enkele technische innovaties, de afgelopen decennia vrijwel onveranderd. Daar is nog altijd plaats voor de 'gewone' vakbeweging. We zijn het met je eens dat de verschuiving van de industrie naar de 'dienstensector' voor een belangrijk deel gezichtsbedrog is. Tenminste als we kijken naar de concrete inhoud van het werk dat mensen doen. Toch traden belangrijke veranderingen op die de mogelijkheden tot belangenbehartiging en collectieve actie voor een zeer groot aantal mensen niet onberoerd hebben gelaten. Voor ons betoog is de kern daarvan dat die veranderingen doorwerken in alle sociale verhoudingen tussen mensen in en rond de productieorganisaties. En zo ook op hun mogelijkheden om in die productieorganisaties tot collectieve actie te komen.

Eén van die vele veranderingen betreft de uitbesteding. Het voorbeeld van de Hoogovens, nu Corus, in IJmuiden mag dat illustreren. Het aantal vaste medewerkers is in de afgelopen dertig jaar afgenomen van ongeveer 25.000 naar een kleine 10.000. Welbeschouwd lopen nog altijd zo'n 25.000 arbeiders over hetzelfde terrein. Alleen nu werkt het merendeel bij één van de zeer vele zogeheten onderaannemers en doet dat onder een andere - vaak slechtere - CAO, als die al wordt nageleefd. In de jaren zeventig was, bij wijze van spreken, één ordewoord van Arie Groeneveld genoeg om het bedrijf stil te leggen. Nu liggen er steeds moeilijk te overwinnen obstakels om tot een sociale en politieke eenheid te komen van alle werkenden.

Meer in het algemeen zien we een segmentering van de arbeidsmarkt die tot uitdrukking komt in culturele en sociale symbolen. Zo gaan werknemers en werkneemsters zich onderscheiden in consumptiepatronen en leefstijlen en abonneren zich bijvoorbeeld op een daarbij horend 'life style' magazine. De onderlinge verschillen zijn oppervlakkig, maar worden met dergelijke symbolen benoemd en gecultiveerd. Dat raakt het bewustzijn van de betrokken werknemers, in hun identiteitsbesef, hun vriendschappen, hun vertrouwensrelaties en hun beleving van lotsverbondenheid, of het ontbreken daarvan. En dat geldt misschien nog wel het sterkst voor de 'Europese' modelwerknemer, de zelfstandige zonder personeel (zzp'er). De vakbekwame en goedgeschoolde technici die in de geschiedenis van de traditionele vakbeweging niet zelden een sleutelrol hebben gespeeld.

Deze ontwikkeling betekent dat op de werkplaatsen een generatie arbeiders is ingestroomd zonder enige ervaring met (vakbonds)strijd. In die zin willen we ook vasthouden aan onze stelling dat de WAO wel degelijk heeft bijgedragen aan een relatief conflictloze generatiewisseling op de werkvloer waar de nieuwe generatie direct onder een neoliberaal en vakbondsvijandig regime aan het werk is gezet. Als een ultra flexibele werknemer met een technisch beroep, zonder een rechtspositie en beloning die te herleiden zijn tot kwalificatie en ervaring.

Alternatieve financiering

Al sinds het midden van de jaren zeventig verschijnen kritische, economische beschouwingen over de premiedruk van de sociale zekerheid. Enerzijds sproot die kritiek voort uit het toenemend gebruik en de groeiende aanspraak op de voorzieningen bij de neergaande conjunctuur van die tijd. Anderzijds werd gesignaleerd dat de sociale lasten als onderdeel van de loonkosten per bedrijfssector tot wel 40 procent uiteenliepen (binnen de sectoren mogelijk nog meer dan tussen de sectoren). De meer arbeidsintensieve sectoren droegen en dragen naar verhouding voor een groot deel de kosten van de voorzieningen en volksverzekeringen. Zo stond er een bonus op een vermindering van de betaalde werkgelegenheid, alsmede op 'zwarte' dienstverbanden.

Een tweede overweging was dat de verzekeringsgedachte - van oorsprong de premiebetaling per werknemer - met het verplichte, algemeen geldende en brede karakter van de voorzieningen was achterhaald. Datzelfde gold voor de complexe, administratieve procedures van 'opcenten' voor elke andere regeling en voorziening. Uit deze kritiek zijn voorstellen ontwikkeld om de sociale zekerheid niet langer uit 'opcenten' op het arbeidsloon te financieren, maar uit een heffing op de toegevoegde waarde die in bedrijven en instellingen wordt gerealiseerd als deel van de nationale welvaart.

Inhakend op dit gedachtegoed, daarbij in overweging nemend de conjunctuur versterkende effecten van de huidige financieringswijze, ontwikkelde Piet van Elswijk in de jaren negentig een alternatief plan voor de financiering van de sociale zekerheid. Hij zag dat de financieringsproblemen van het huidige bestel tot voorspelbare reacties leiden van verlaging van de uitkeringen en bezuinigingen op overheidsuitgaven. Terwijl, opvallend genoeg, de ontwikkeling van het Bruto Nationaal Product, ook uitgedrukt per inwoner, daarvoor helemaal geen aanleiding gaf. Dat voerde tot de dwingende conclusie dat de verdeling van de welvaart niet deugt.

Afrondend stellen wij dat de mondialiseringsbeweging een uitdrukking is van de wijzigingen in de sociale en culturele verhoudingen in de arbeidersklasse. We ontlenen deze stelling aan de diversiteit van invalshoeken en organisaties in die beweging en haar pluriforme karakter; zie de actiegroepen op verschillende terreinen, de vakbondsgroepen, de milieu- en migrantenorganisaties, enzovoort. Tevens zien we dat die beweging de 'oude' verdeling die langs allerlei inhoudelijke en groepsscheidslijnen liep, in de praktijk heeft doorbroken. Wij denken dat in die gevarieerde beweging de meer fundamentele vraag naar de verdeling van de rijkdom in de wereld in de toekomst een centrale plaats zal innemen. Zo ook, de verdeling van de totale welvaart, dus niet alleen de lonen. De eis van de Euromarsen voor een Europees minimuminkomen en het vraagstuk van de financiering van de sociale zekerheid sluiten daar op aan.

Piet van der Lende en Jan Müter
(Nederlands Comité Euromarsen)

*)Hier zou van 'revanchisme' gesproken kunnen worden, zoals dat te zien is geweest in het zogenaamde Scheffer debat. M. Zeeman kiest een vergelijkbare, derde weg benadering in "Wat ons bindt", de Volkskrant, 11 oktober 2003.
**)E. Pommer, J. van Leeuwen, M. Plas, Inkomen verdeeld. Trends in ongelijkheid, herverdeling en dynamiek, SCP Onderzoeksrapport 2003-3 (januari).