|
nr. 119 juni 2004 |
Solidariteit
WAC - 'fact finding mission' in Israël en bezette gebiedenAlarmbel luiden en steun verlenenToen we in maart 2001 met Assaf Adiv van Workers Advice Centre (WAC) om de tafel zaten in De Balie in Amsterdam ter ere van nummer 100 van Solidariteit, konden we niet vermoeden dat we drie jaar later de steun aan een project van WAC nog niet rond hadden. Uiteindelijk bezochten we dit voorjaar Israël en de bezette gebieden als afvaardiging van de Werkgroep Internationale Solidariteit (WIS) van FNV Bondgenoten in een door WAC georganiseerde 'fact finding mission'. Het was oorspronkelijk de bedoeling dat de beleidsverantwoordelijke van FNV Mondiaal zou gaan, maar vanwege andere verplichtingen was dit niet mogelijk. Daarom werd besloten een tweepersoons delegatie van de WIS te sturen.De delegatie werd gevormd door veertien vakbondsleden uit zeven Europese landen: België, Denemarken, Duitsland, Italië, Nederland, Spanje en Zwitserland. Gedurende een week kregen we veel informatie over de arbeidsmarktsituatie van Palestijnen en migranten. We bezochten universiteiten, ministeries, vakbonden en non-gouvernementele organisaties. Spraken met mensen in de kantoren van WAC, een vluchtelingenkamp, een 'checkpoint' en een bouwplaats. Tenslotte waren we in Jeruzalem, Nazareth, Haifa, Jaffa, Ramalah en een aantal Palestijnse dorpen en spraken daar met de lokale bevolking. Door deze ontmoetingen met instituten, organisaties en personen konden wij ons zeer goed oriënteren. WerkloosheidWAC ondersteunt Arabische werkne(e)m(st)ers, werklozen, vrouwen en jongeren in Israël en probeert hen bewust te maken van hun situatie en hun kwaliteiten. Ook bemiddelt WAC naar werk met langdurige contracten. Meestal lukt het echter niet de betreffende arbeiders geheel onder de geldende CAO te brengen. WAC is op een breed terrein actief. Mensen worden gemobiliseerd om werk op te eisen, het parlement wordt bestookt en de internationale vakbeweging geïnformeerd. In Kufr Qara is samen met de Amerikaanse kunstenaar Mike Alewitz een muurschildering aangebracht: "No walls between workers"; een symbolisch protest tegen de muur die de regering bouwt tussen Israëlisch en Palestijns gebied. We bezochten drie kantoren van WAC. In Um-al Fahem, een Arabisch stadje waar het kantoor pas drie maanden open is. Daar is evenals in Nazareth een experiment met jongeren gestart om hen "door scholing en activiteiten te verbinden met elke plek in de wereld". In het derde kantoor, in Oost-Jeruzalem, verleent WAC werklozen juridische en organisatorische ondersteuning in hun gevecht om een uitkering. De werkloosheid is een ernstig probleem. Ze bedraagt meer dan 14 procent in een economie die sinds de tweede Intifada achteruit is gehold. Al een paar jaar zet de regering 'illegale arbeiders' uit. Dat gebeurt door een vreemdelingenpolitie die met vijfhonderd functionarissen zeer efficiënt werkt. Het doel is niet Palestijnen aan het werk te helpen, maar de werkloosheid onder Israëliërs omlaag te krijgen. Israëliërs die overigens in twee jaar tijd 10 procent loon hebben ingeleverd en al enige tijd geen bonussen meer ontvangen. Onder het mom de economie een stimulans te geven, zijn de lonen op het niveau van het jaar 1990 gebracht. En dan te weten dat de Verenigde Staten jaarlijks vrijwel ongeclausuleerd vijf miljard dollar schenken. UitsluitingDe arbeidsmarktsituatie is complex . Voor de laagst betaalde banen die goed opgeleide Israëliërs afwijzen, komen eerst de Palestijnen en daarna de migranten in aanmerking. Sinds de 'Oslo-akkoorden' in 1993 zijn de Palestijnse gebieden gesloten en kunnen Palestijnse arbeiders bijna niet meer naar hun werk in Israël. Hun werkloosheid is opgelopen tot 50 procent. Tot 1993 vormden zij de ruggengraat van de bouwvak en de landbouw. Om die capaciteit op de vullen, besloot de Israëlische regering buitenlandse arbeiders in te vliegen uit Roemenië, China, Thailand, Turkije, enzovoort. Met de regeringen van die landen werd geen akkoord afgesloten, met als gevolg dat de werving en dergelijke via uitzendbureaus aan de markt werden overgelaten. Op een gegeven moment waren meer dan 300.000 migranten werkzaam in Israël, ongeveer 10 procent van de totale beroepsbevolking. De gevolgen voor de Arabische werknemers uit Israël zelf waren ingrijpend, de afgelopen tien jaar staan zij in een felle concurrentie met migranten. Los hiervan hebben de Palestijnen nog andere problemen op de arbeidsmarkt. Veel ouderen kunnen niet meer werken vanwege gezondheidsproblemen die zij in het werk hebben opgelopen. Hun jongere collega's zijn van de betere banen uitgesloten door een laag opleidingsniveau en onvoldoende vaardigheden om tot organisatie en netwerken te komen. In het algemeen is sprake van discriminatie die vaak loopt via 'veiligheidsargumenten'. Voor vrouwen gelden deze beperkingen in sterke mate. Ze nemen nauwelijks deel aan de betaalde arbeid en zijn onder invloed van traditionele cultuurpatronen belast met de zorg van de - vele - kinderen. DeportatieVestiging in Israël is bijna onmogelijk voor niet Joden. De belangrijkste internationale arbeidsverdragen zijn geratificeerd, maar worden niet uitgevoerd. Hetzelfde is het geval met andere verdragen van de Verenigde Naties. Migranten dienen over een baan te beschikken, waarbij de werkgever in hun paspoort wordt vermeld. De werkgever is eigenaar van de werkvergunning en kan deze met migrant en al verkopen. Logisch dat daarmee bijvoorbeeld kritiek op de slechte arbeidsomstandigheden wordt onderdrukt. Wordt de migrant ontslagen, dan moet hij het land verlaten of - wat vaak gebeurt - de illegaliteit in. Om aan een baan te komen, betalen migranten vaak zes- tot tienduizend dollar aan de uitzendbureaus in hun eigen land. Hun loon is aanzienlijk lager dan het in Israël geldende minimumniveau, maar tegelijkertijd vele malen hoger dan wat ze 'thuis' zouden verdienen. Als arbeiders illegaal verklaard zijn, worden ze opgepakt en in speciaal ingerichte gevangenissen gezet in afwachting van hun berechting. Binnen 24 uur moet het verhoor volgen om de 'status' te bepalen. De vasthouding mag niet langer dan veertien dagen duren, maar deze termijn wordt steeds vaker overschreden. De berechting gebeurt door een tribunaal met veel te weinig capaciteit, zodat per dag de vier rechters te veel zaken moeten afhandelen. Daardoor krijgen de aangeklaagden weinig of geen informatie over hun rechten en positie. Vertalingen die officieel verplicht zijn, vinden zelden plaats en mensen worden gedwongen iets te ondertekenen dat ze niet kunnen lezen. Het tribunaal functioneert als een administratief instituut dat velen zonder proces het land uitzet. De overheid sanctioneert deze gang van zaken en werkt actief mee aan deze vogelvrijverklaring. SlavernijBij dit alles treedt de politie gewelddadig op. Bovendien kunnen de betreffende arbeiders zich meestal niet legitimeren, omdat de paspoorten in handen blijven van de werkgever. In de gevangenissen heerst een vorm van slavernij, werkgevers komen keuren en bieden zeer selectief een baan aan. Pas dan kunnen deze migranten weer legaal verklaard worden. Leiders worden eruit gepikt en snel gedeporteerd. De Israëlische staat acht zich niet verantwoordelijk voor wat 'gastarbeiders' genoemd worden. Anderhalf jaar geleden is door de regering een beleid van 'closed sky' vastgesteld dat de migrantenstroom moet stoppen en de vreemdelingenpolitie de vrije hand geeft. Met deze deportatiepolitiek hoopt de regering banen vrij te maken voor Israëlische werklozen. Inmiddels zijn al ongeveer 30.000 'illegalen' uitgezet en een zelfde aantal is 'uit vrije wil' vertrokken. In totaal is 60 procent van alle buitenlandse arbeiders illegaal verklaard, terwijl 70 procent Israël legaal binnenkwam. Werkgevers trekken zich van deze politiek van 'closed sky' niks aan en ronselen gewoon door, bijvoorbeeld via Egypte en Turkije. De overheid op haar beurt zegt deze werkgevers hard aan te pakken, maar daar komt in de praktijk weinig van terecht. De wetgeving is sowieso een probleem. Voor 1993 gold voor de West Bank de Jordaanse en voor de Gaza Strook de Egyptische wetgeving. Na de 'akkoorden van Oslo' vallen deze Palestijnse gebieden onder de Israëlische militaire wetgeving. Dat betekent op dit moment onder meer dat er geen sociale zekerheidswetgeving is. Omdat de laatste jaren in Israël zeer veel gestaakt wordt, wil de regering het stakingsrecht drastisch inperken. VakbewegingDe vakbeweging in Israël neemt een bijzondere positie in. Dat geldt met name voor de vakcentrale Histadrut die in de jaren twintig van de vorige eeuw is opgericht. Zoals dat ook in een aantal Europese landen gebeurde, organiseerde zij de sociale zekerheid en bemoeide zich met wonen en werken. In het nieuwe land bouwde Histadrut zelf huizen en gaf zo vorm aan de sociale en ruimtelijke voorzieningen. Het bouwbedrijf dat wij bezochten, Soleh Boner, was nog steeds eigendom van Histadrut. In de beginjaren konden alleen Joodse burgers lid worden, later kregen ook Palestijnen toegang. In de bouw bestaat nog steeds een verplicht lidmaatschap, zodat ook de Palestijnse arbeiders lid zijn van Histadrut. De contributie wordt door de werkgever geïnd. Tegenwoordig organiseert zij vooral de middenklasse en heeft ze een directe vertegenwoordiging in het parlement. De laatste jaren is Histadrut in financiële problemen en ernstig verzwakt. Mede hierdoor geeft ze aan de belangen van Palestijnse arbeiders en migranten geen prioriteit. Wel bestaat de afspraak dat de helft van de contributiegelden van de leden van de Palestijnse vakbeweging, PGFTU, die in Israël werken, overgemaakt zal worden. Maar daar komt al jaren niets van terecht, hetgeen voor de PGFTU een miljoenenschade betekent. Deze Palestijnse vakcentrale wordt gevormd door dertien bonden, waarvan een aantal is aangesloten bij internationale beroepssecretariaten. Door de gebrekkige financiën - hoge werkloosheid, grote armoede, lage contributie - en de volgzaamheid ten opzichte van Yasser Arafat is de positie van de PGFTU nationaal en internationaal zwak. Omdat ze geen enkele aandacht geeft aan de juridische problematiek van de Palestijnen in Israël, probeert WAC deze leemte op te vullen. SchietpartijOp de bouwplaats die we bezoeken, werken leden van WAC die daar na bemiddeling van hun organisatie zijn aangesteld. De aannemer, Soleh Boner, is de grootste van het land. We gaan met een bouwlift naar de vijftiende verdieping, waar twee ploegen op de werkplek de lunch genieten. Vreemd is dat op het gebied van de veiligheid formeel van alles geregeld is, maar dat in de praktijk bijna niets deugt. Ook wij zouden zonder helm kunnen rondlopen. Volgens de wet is er een achturige arbeidsdag, maar - zo wordt ons verteld - dat is een droom. Niettemin hebben de mensen het naar hun zin. In tegenstelling tot dagloners hebben ze een redelijk zekere baan en naar verhouding een behoorlijk loon. Een volgend bezoek is aan de Palestijnse vakcentrale PGFTU in Ramalah op de West Bank. Op weg daar naar toe moeten we door een 'checkpoint' en daarna een taxibusje nemen. Het is een grote chaos, waarbij iedereen door elkaar heen loopt en rijdt. Op de terugweg worden we gecontroleerd. De militairen zijn bijna allemaal achttien tot een jaar of twintig en staan onder leiding van een oudere collega die hen in het gareel zou moeten houden. In ons geval zijn de jongeren vriendelijk en de ouderen bot en ruw. Assaf Adiv, coördinator van WAC, krijgt te horen dat hij illegaal naar binnen was gegaan. Hij wordt een aantal uren vastgehouden; Israëliërs moeten van tevoren een verzoek in dienen als ze een Palestijns gebied binnen willen. Na de niet erg strenge controle wacht de delegatie op Assaf. Wij slagen er niet in de controleurs te overtuigen dat hij tot ons gezelschap behoort. Assaf vindt hun actie niet logisch, hij is toch ook binnengekomen, maar de militair zegt dat hij uitmaakt wat wel of niet logisch is. Ondertussen zijn we getuige van een schietpartij die niet uitzonderlijk blijkt te zijn. Soldaten openen het vuur op mensen in een huis. Ook zien we soldaten een man in een diepe kuil bewaken, soms gebeurt dat in de brandende zon. We reizen verder naar het vluchtelingenkamp Shu'afat bij Jeruzalem dat binnenkort geheel ommuurd is. De 20.000 bewoners kunnen dan nauwelijks meer naar buiten voor werk, ziekenhuisbezoek, enzovoort. De economische situatie is erbarmelijk. De vluchtelingenkampen staan nog steeds onder toezicht van de Verenigde Naties. De Palestijnse Autoriteit laat dat voortbestaan, omdat ze anders voor de kosten opdraait. AlarmIn de vele gesprekken die we voerden, kwamen op het terrein van de arbeidsmarkt steeds dezelfde kwesties naar voren. * Bescherming van de rechten van migranten zal onderdeel moeten worden van verdragen met de thuislanden. Daarmee wordt de ronselpraktijk van uitzendbureaus en werkgevers uitgeschakeld en tegelijk de komst van rechteloze migranten aanzienlijk beperkt. Bovendien komt zo een einde aan de 'eigendomsverhouding' tussen migrant en werkgever. * Van alle kanten zal druk uitgeoefend moeten worden de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie in wetgeving om te zetten en vervolgens na te leven. * De samenwerking van Histadrut en PGFTU dient bevorderd te worden, zodat ze gezamenlijk bij de internationale vakbondsgemeenschap aan de bel kunnen trekken. * De leden van de delegatie is dringend verzocht in hun vakbond, vakcentrale en land de waargenomen problemen aan de orde te stellen en de Internationale Arbeidsorganisatie, de internationale vakbeweging en de beroepssecretariaten te alarmeren. * Bovendien is met klem gevraagd in de bonden een discussie te organiseren over de positie van de verschillende groepen arbeiders en arbeidsters in Israël en de bezette gebieden. * Hetzelfde geldt de steun door vakbonden van projecten die de situatie van migranten en Palestijnen verbeteren. Of zoals AbvaKabo FNV die een project steunt op de West Bank. Harry Kappelhof |