nr. 64
dec 1994

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Stekeltjes

De tijd en het amalgaan

Eindelijk, eindelijk kan ik verklaren waarom mijn grootmoeder de gezegende leeftijd van 94 heeft kunnen bereiken. Ze was namelijk jong in de tijd dat de arbeidersbeweging nauwelijks tot ontwikkeling was gekomen. Het spreekt vanzelf dat er dus ook geen sprake was van een door de staat georganiseerde, tandheelkundige verzorging. "Een proleet kan je herkennen aan z'n bit", zei ze. En om dat aanschouwelijk te maken, klapperde ze daarna met wat tegenwoordig een protese genoemd wordt.

Ik moet deze nogal lange uitweiding maken om te vertellen dat ik via het televisie-medium op de hoogte gesteld ben van een verklarend feit waarom mijn grootmoeder stokoud kon worden. Mijn opoe had namelijk geen amalgaanvullingen. Ze bleef aldus gespaard van de kwikvergiftiging zoals die nu volgens wetenschappelijk onderzoek tot algehele, lichamelijke malaise blijkt te leiden. Nieren en oorlellen zijn aangetast en naar alle waarschijnlijkheid zijn de grote hersenkwabben tot andere dingen veroordeeld dan waarvoor we ze hebben gekregen.
Mijn kleinzoontje van zes zei meteen: "Oh, daarom zijn de mensen zo stom." Ik deed alsof ik het niet hoorde en zei peinzend dat we tegenwoordig in een heel andere tijd leven.
"Een heel, heel andere tijd", beaamde m'n dochter. En zo kwamen we weer op een ander onderwerp. In een mum van tijd zal ik maar zeggen.
"En toch kom ik tijd te kort", zei m'n dochter nu ook peinzend. Haar zoontje, mijn kleinkind, keek van haar naar mij en vroeg "vertel 's wat meer van die ouwe opoe van jou, oma".
Ik was oprecht verheugd over de belangstelling en begon.

"Mijn grootmoeder was bijvoorbeeld wel twee volle dagen met de was bezig. Zondagsavonds werd het witte goed in de week gezet en 's nachts voor het slapen aan de kook gebracht in de grote ketel op een laag pitje van het gas."
"Waarom 's nachts?", vroeg die kleine. "Omdat het dan goedkoop tarief was ..."" Jeetje zeg", interrumpeerde z'n moeder, "nooit geweten, dat zouden we nou moeten hebben. Wist je dat ze me vorige maand haast hadden afgesneden." "Laat d'er uit vertellen", zei m'n kleinzoon.

"Op maandag begon de dag al vroeg. Met grote stokken werd de kokendhete was in een andere tobbe gedaan, het wasbord erin gezet, de mouwen opgestroopt. Als de witte was eruit was, werd de bonte behandeld in het nog altijd warme sop. Pas tegen de avond hing die hele hap op de lijn en werd dinsdags eraf gehaald. Dan moest er gestreken worden. Tegen dat de dinsdag voorbij was, lag de was in de kast."
Mijn dochter lachte smalend, "god, wat een werk" en keek met een koesterende blik naar haar automaat en droogtrommel.
Op dat moment herinnerde ik me een nogal pijnlijk gesprek met m'n schoonzoon. "Die vrouw van mij houdt van de wasmachine, is verliefd op de stofzuiger en kan zonder televisie niet slapen." Nu begreep ik ineens dat die vaak geuite klacht dus gegrond was. M'n kleinzoon keek dromerig en konkludeerde dat zijn over-opoe dan wel behoorlijk 'moei' geweest moest zijn.

"Het is niet moei, maar moe." Mijn dochter die werkloos onderwijskracht is, had een bestraffende toon in haar stem, "Ach wijf, loop naar de hel", zei die kleine. "Hoor je dat nou ... ik wor gek van dat kind."
"Het is niet wor, maar word", sarde hij. Z'n moeder liep huilend de kamer uit.
"Waarom zeg je nou zo iets", was al wat mij te binnenschoot.
"Begin jij nou ook al."

Daarop legde ik geduldig en omstandig uit dat mensen vroeger wel moei geweest moeten zijn geweest, maar nooit VERmoeid zoals wij zo vaak ...
M'n kleinzoon snapte de uitleg niet. Hij begreep niet dat drie lettertjes verschil zo veel uitmaakt.
Intussen had hij z'n turtle gepakt en legde mij uit dat zo'n popje met een machinegweertje in z'n buik een vlieg kan doden. Even later hoorden we hem telefoneren met een vriendinnetje van zijn klas. "Malaisse ..., ze krijgen mij niet meer naar die tandenpik en weet je, van tumaltgaan krijgen ze gaten in de was ..."
"Maar we hebben geen tijd om die gaten te stoppen", vulde m'n dochter aan.

Stekeltje