nr. 66
april 1995

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Stekeltjes

Dienstbodenprobleem

Wat gaat 't toch snel allemaal. We zitten alweer met de zomertijd. Net als ik gewend ben aan dat uurtje vooruit, gaat de wijzer weer naar achteren. Een troost, het wordt lente. Dan schijnt het volgens de redaktie te spoken. Straks vier ik al weer voor de vijftigste keer de bevrijding. Soms, denk ik wel eens, waarvan eigenlijk. Maar goed, dan kunnen we weer in het Vliegenbos wandelen.

Ik las kortgeleden dat het in de jaren twintig aangelegde bos in Amsterdam-Noord een bijzonder soort viooltje herbergt. Groeit alleen daar. Wist ik helemaal niet.

En dat is gek, want ik heb toch in de buurt van dat bos - nabij de chemiese fabriek van Ketjen - gewoond. Bij ons thuis werd het Vliegenbos in de ban gedaan. Daar waren redenen voor. Je ging toch niet in de achtertuin van een fabriek wandelen. We negeerden ook de officiële naamgeving.

Volgens ons heette het bos zo, omdat 't er stikte van de vliegen. Of zoals m'n grootvader 't principiëler uitlegde:

Een verstandig mens gaat in z'n vrije tijd niet wandelen in een bos dat de naam draagt van een reformist.

Om m'n weerzin tegen het Vliegenbos te verklaren aan m'n schoolkameraadjes hield ik ze voor dat het bos niet alleen stikte van de vliegen, maar dat je daar ook veel kans liep om gegrepen te worden. Zo althans noemden wij de scène van verkrachting. De verklaring was afdoende. We meden kollektief het groen uitgeslagen groen als de pest.

In de oorlog werd dat makkelijker. Toen was het sowieso verboden terrein. De moffen (zo heetten ze toen) hadden hun geschut in het bos opgesteld. Ze schoten van daaruit op de Tommies die Amsterdam-Noord meer dan eens bombardeerden zonder het in Londen opgegeven doel - het terrein van de vliegtuigenfabriek Fokker - ook maar één keer te raken.

Eén van die bombardementen had trouwens verstrekkende gevolgen voor onze familie. In onze tuin werd namelijk een blindganger vermoed. Een bom dus die elk moment van de dag of nacht kon ontploffen. De hele Straat werd geëvakueerd. We verhuisden met het hoognodige naar de andere kant van het dorp. Daar waar het hogere kader van de scheepswerf, kortweg 'het Dok' genaamd, woonachtig was.

De dokbazen werden gesommeerd evakuees in huis te nemen. Wij kwamen er ook bij één in huis. Bij ons vertrek had m'n moeder me voorgehouden dat ik netjes moest praten en niet mocht slurpen en smakken. De dokvrouw merkte bij onze binnenkomst meteen op dat ze ons wel in de kost kon nemen, maar dan wel recht had op onze levensmiddelenbonnetjes. Gelukkig had m'n moeder ze meegenomen. Gelijk met de dooiefondspapieren.

Voor de mevrouw van de dokbaas was het bombardement letterlijk en figuurlijk uit de hemel komen vallen. Haar vaste werkster uit de stad wilde niet meer komen, omdat ze het te gevaarlijk vond. Krijgt ze daar een evakuee die toevalligerwijze hetzelfde beroep uitoefent als haar eigen dienstbode. Zo op het oog dus een waardige remplaçante. En vreselijk goedkoop. Want een gast kan niets vragen voor bewezen diensten.

Wat dat betreft, is er toch niet zo heel veel veranderd. Van de week las ik in de krant: Vrouwen in de bijstand kunnen best ingeschakeld worden om het dienstbodenprobleem op te lossen. En daar is geen bombardement aan te pas gekomen.

Stekeltje