nr. 71
jan 1996

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Stekeltjes

Sleep-in

In Leeuwarden zijn ze maar begonnen met internationale kampioenschappen ... dammen. Was op het nieuws. Mijn buurjongen, die z'n noren en een veelkleurig pakkie al in de tas had en klaar stond om af te reizen, zei dat het komt door Erwin Krol.
Ik neem het niet zonder meer aan. Maar ik herinner me bijtijds dat de door de centrale overheid aangestelde nationale weerman wel een beetje te veel heeft gegniffeld bij de voorspelling van dooi. Mede door het intense kijken en luisteren merk ik opeens meer malafide zaken op.

Zo besluit Krol z'n weerbericht zomer-en-winter met een gebaar dat ik alleen ken van diepgelovigen. Hij legt dan namelijk heel zorgvuldig z'n vlakke rechterhand op de eveneens gestrekte linkerhand. Daarna loopt hij met drie afgemeten passen naar het preekgestoelte, alwaar de reguliere nieuwslezer net bezig is zijn papieren weg te bergen. Als dat geen duivelsteken is.
Tandenknarsend bedenk ik tevens dat het Frisk Elfstedencomité er beter aan had gedaan maar meteen naar de groningse wadden af te reizen. Daar lag ijs! Daar werd geschaatst. "Stomme Friezen."
Dat laatste komt voor rekening van m'n buurjongen. En hij liet er op volgen: "Wist jij bijvoorbeeld dat de Coördinator IJsbestrijding ook een Fries is, die goser schijnt in Sneek te wonen ... dat legt toch in Friesland, hè?" Jeetje zeg. Nou wordt alles duidelijk. Ze spraken eindeloos over de Elfstedentocht, maar intussen strooiden ze overal dooi-zout.
"Wat ze van de deelraden uit Amsterdam hadden gepikt", m'n buurjongen wond zich meer en meer op. "En daarom moesten wij binnen blijven, buurvrouw, het is EEN groot komplot! Wij mogen geen nationale sport meer beoefenen, is in strijd met de eenwording van Europa en die rotters in Franeker ..."
Ja, ja, zeg. Nou is het wel genoeg, hoor. Ik werk m'n rebelse buurjongen de deur uit. Ga er zelf ook op uit. Het kan weer.

Op de hoek kom ik één van onze honderden buurtdaklozen tegen. Hij heeft zich geposteerd in een portiek, samen met z'n volbepakte vuilniszakken.
"Heb je een gulden voor me?" Ik aarzel, denk dan bij mezelf, nou ja, het is beter dat 'ie vraagt dan dat 'ie pakt, en kijk in mijn portemonnee waar alleen een tientje en een vijffie in zitten. Jimmy, onze buurtdankloze, kijkt mee. "Geef dat vijffie maar, ik heb maar drie-vijftig nodig voor de sleep-in." Hij graait in mijn beurs. Ik vraag nog argeloos of hij misschien in het bezit is van wisselgeld, anderhalve gulden. Jimmy lacht smalend.

Ik loop nog een paar haltes verder, omdat de tram toch niet komt. Voor de brug besluit ik te wachten. De tram moet zo wel komen, er zijn al twintig minuten verstreken. Op de treeplank bij de wagenbestuurder staat zowaar Jimmy. "Hé, ik heb wat voor je, die één-vijftig die je daar-net nodig had ...", en hij zeult z'n vuilniszakken de tram uit. Hij heeft z'n missie volbracht, mij gevonden.
De bestuurder werpt mij intussen wel een verontwaardigde blik toe. "Laat jij die arme sloeber geld voor je sprokkelen? Achterlijkwijf dat je bent." Voor ik de kans krijg om de juiste proportionele uitleg te geven, pakt de man die namens het Openbaar Vervoer het dichtst bij de Reiziger staat z'n stempel en snauwt: "En nou je kaart, mooie madam, want zwartrijden is er vandaag voor jou niet bij." Door schaamte bevangen doe ik of ik zoek naar m'n tramkaart. Die ik niet heb. De bestuurder laat twee groene lichten voorbijgaan. Dan roept 'ie door zijn interkommetje: "Want een maatschappij die zichzelf respekteert, aksepteert geen verpaupering!"
Van achter uit de tram hoor ik instemmend gemompel.

En net als hij - weer door z'n interkom - uit wil leggen wat de oorzaak is van het oponthoud, neemt een man van onbestemde leeftijd op het voorste bankje het voor mij op. "Het is toch logies dat zo'n vrouwtje geen vier-vijftig voor die paar rothaltes gaat betalen als ze de hele nacht onder dak is voor drie-vijftig in een sleep-in?"
Achteraf denk ik dat mijn eigen buurtdakloze Jimmy al voorbereidend werk heeft gedaan voor IK ben ingestapt.

Stekeltje