nr. 75
okt 1996

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Stekeltjes

Sprookjes

"... en ik ben van mening dat de sprookjes van Hans Christian Andersen heruitgegeven dienen te worden", zei de haringverkoper op het haagse Spui. Ik bleek net in een belangwekkende diskussie verzeild geraakt te zijn. Dat merkte ik toen de klant voor me - die blijkbaar dat vreemde antwoord van de haringman had uitgelokt - opnieuw het woord nam en met stemverheffing verkondigde dat in Amsterdam "U weet wel, meneer de haringman, de HOOFDSTAD van ons KONINGINNERIJK, buitengewone belangstelling bestaat voor de bijbel. Bui-ten-gewone belangstelling, meneer de haringman, gods woord schijnt in Amsterdam een best-sel-ler te zijn".
Daarop pakte de man de haring bij de staart en slokte hem in twee ferme happen naar binnen.

Ik zag dat en vroeg "Kan u hem voor mij snijden, asjeblieft?". "Sodom en Gomorro", hoorde ik haagse Arie-Haring mompelen, en er tussen door tot mij "in vier of vijf stukken, wijffie?". "Als het een grote is in zes, als het een kleine is in vijf", antwoordde ik zo neutraal mogelijk. "Moet het op een bordje of is een kartonnetje genoeg...?", vroeg de haagse klant hatelijk.
De haringman negeerde de interruptie en voorzag mij van het op Scheveningen gevangen produkt, draaide zich om naar z'n stadgenoot en vroeg "Heb jij dat verhaaltje van dat zeemeerminnetje wel eens goed gelezen?".
"Je bedoelt zeker dat meissie met die zwavelstokjes?", antwoordde de eerste klant en meteen er achteraan "Ken jij het verhaal van de Corinthiërs, vers 13?". De haringman schudde z'n hoofd, voog 1) het mes af aan een witte doek en vroeg "Is 'ie lekker?". "Uit de kunst", zei de haagse klant. Ik voelde me verplicht hem bij te vallen, hoewel de man mij zeer onaangenaam was. Ze keken me alle twee argwanend aan.
"Corinthiërs, vers 13?", de haringman pakte het debat weer op. "Gaat dat niet over ...?" Maar de klant viel hem in de rede. "Man, man, haringman, Corinthiërs zegt: de vrouw is de heerlijkheid des mans."

Het werd me te veel, al die stukkies haring, en die uitjes, en die plakkies zuur. Maar de hagenese klant versperde me de weg en vroeg "Hoe oud bent u nou eigenlijk?". Hij wachtte m'n antwoord - gelukkig - niet af en begon een uitgebreid referaat. "Het kenmerk van de vrouw is dat ze altijd liegt over leeftijd. Als ze meissies zijn, doen ze er een paar jaartjes bovenop; als ze eenmaal de leeftijd hebben, liegen ze staalhard dat ze tien jaar jonger zijn, en als ze twaalfvoudig oma zijn, gooien ze er desnoods twintig jaar bovenop. Je kan er geen staat op maken. Ik ken er eentje die de begrafenis van Wilhelmina nog heeft meegemaakt. Ik schat haar op tachtig, maar ze houdt vol dat ze al honderdtwaalf is. Kijk, daaraan kan je zien dat de vrouw op zich leiding nodig heeft, de heerlijkheid des mans dus. Corinthiërs. En daar komen die amsterdammers nou mooi achter."
Ik ontsnapte naar de trein, naar de hoofdstad van ons koninkrijk, waar ik woon, Amsterdam. En ik bedacht wat je allemaal voor onzin hoort; niet alleen op radio en TV, maar tegenwoordig zelfs op straat in dè stad van de politiek.

In de trein zat ik in een coupé met twee kinderen die met hun oma op reis waren. Ze ouwehoerden aan één stuk door. Dat ze uit Rotterdam kwamen en naar Den Helder gingen. Op een gegeven moment hoor ik het meisje van hooguit zes over haar broertje, die ik op drie schatte, zeggen "Me broertje wil straalpiloot worden en ik gaat naar de marine ...". Ik werd een beetje misselijk. Die haring zit niet lekker, dacht ik nog.

Op het stationsplein van m'n eigen Amsterdam werd ik opgewacht door een lid van de groeisektor. En daarbij viel me ook weer op hoe divers de geledingen in onze zorgmaatschappij in hun uitingen zijn. Want een nederlandse boerelul die dakloos is, pakt brutaal je hand als er een tas aan vast zit, en kommandeert "Geef me een gulden!".
Een medelander die in een afhankelijke positie zit, pakt het anders aan. Die houdt een heel verhaal. "Mevrouw, mag ik u wat vragen? Verkeert u wellicht in de gelukkige gelegenheid om mij te voorzien van vijf gulden ...?" Gevoel voor inflatie, dat wel.
Voor ik bij de amsterdamse Dam ben, heb ik al twaalf gulden weggegeven. Zo maar, voor nop. Nog geen ijssie gegeten. Wat een rot stad is het toch. Sodom en Gomorro, die rot hagenees had gelijk. En niet alleen vanwege de bijbelhausse.

Stekeltje

1) Haags voor de verleden tijd van het werkwoord vegen.