nr. 92
okt 1999

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Stekeltjes

Dat zijn nou van die dingen ...

Het is gek, maar als je slaapt, komen de meest vruchtbare gedachten in het onderbewustzijn. Zo droomde ik in de nacht na de mededeling dat Alexander met Maxima gaat, dat ik staande op de Dam voor het Paleis met behulp van een megafoon riep: "Deze mededeling zal gevolgen hebben." Te gek voor woorden, dacht ik nog.

Toch vraag ik me af wat er gebeuren zou, als dit of dat zou gebeuren. Hoe ik erop zou reageren. Hoe ik m'n evenwicht zou kunnen bewaren. Met welke hulp van welk, wat of door wie gepresenteerd programma ik zou kunnen overleven. Nee, overwinteren in barre omstandigheden. Irgendwo op onze planeet. Die zo wonderbaarlijk mooi ... en woest ... en ledig is. Soms. Als het Bloemencorso door het centrum rijdt.

Ik vraag me bijvoorbeeld soms, maar soms voortdurend, af hoe mijn binnenste en innerlijke Ik-Mijn zou reageren, wanneer onze her en der verspreid staande televisiestudio's toch - als door een wonder - getroffen zouden worden door een megabom, een voltreffer. Zo eentje die, hoewel bedoeld als verdwaald, op een dag dat iedereen naar Brussel is, de portier incluis, van Bussum naar Hilversum en weer terug naar de Aalsmeerse Van den Endehallen zou zwenken.

Zou dat nou een nadelig effect hebben op ons, op Ik-Mijn als kijker bedoel ik?

Even hypothetisch dus: wanneer op zo'n dag, na zo'n ramp met behulp van vliegtuigjes en zeppelins in de lucht aan ieder bekend gemaakt wordt: "Hedenavond geen Uitzending" of "Alle zenders dood".

"O, Jezus Christus, en vanavond zou nog wel Opsporing Gezocht komen." Ik hoor het m'n bovenste buurvrouw al zeggen. Dat malle, prozaïsche wijf dat nergens over nadenkt.

Maar ikzelf, hoe zou ik op zo'n godverhoede gebeurtenis reageren?

Laten we eens een andere case nemen, een onvoorziene maar concrete case. Een primeur zelfs, want ik maak me sterk dat onze hoofdredacteur, deze leraar pur sang, van nature en gesalarieerd, niet eens van niks weet. Welke ramp hem boven het hoofd had gehangen, wanneer hij niet bijtijds en vroegtijdig en bij het uitkomen van dit Magazine gevut was.

Terug naar de case. Ik heb in gedachten de luizenepidemie die thans en heden en zeer recent in de onderste regionen van het onderwijs woedt. Ik heb me laten bijpraten, dus inlichten door een mij persoonlijk bekende kleuterleidster, die ook op de buis een zeer geziene gast is. "Er heersen luizen en daar komen psychische problemen van", deelde ze mij voor de tv mee.

Over die luizen verbaas ik me niet. Als er regelmatig in een stad in de zus-of-zo evenementen- annex sporthal een vlooienmarkt gehouden wordt. Soms staat zelfs een REUZEN-vlooienmarkt op de aankondiging, wat kan je dan in godsnaam ànders verwachten.

Nou is een vlooi iets anders dan een luis. Weet ik wel. Maar in beide gevallen gaat het toch om ongedierte.

Stel je voor. Tweeëndertig kindertjes die allemaal op hun hoofd zitten te schurken. Niet bij de les zijn, maar om de haverklap vragen of de vlechtjes los kunnen, "want het jeukt zo, juf!"

"Dat is nog niet alles", vult een moeder aan. "Mijn eigen kleine meisje zat in de tram, ze is netjes opgevoed, kan al lezen en staat dus op voor een oudere heer. Wat heer, niks heer, het was een ouwe knar. Hij loopt strompelend om haar heen en snauwt: Nee luizenkop, dank je wel. Ik ga niet zitten waar jij zat, want luizen springen over. Van kraag naar kraag. Straks zit ik met de neten in mijn zorg- en wooncentrum." Aldus het treurige relaas van het zesjarige kind, hoogst persoonlijk door de moeder verteld.

Dat is andere koek dan de sprookjes op Net Zeven van Den Belg over een of andere Paltsgravin in Peuterenaerde.

Wat zou ik nou doen in zo'n situatie? Hoe zou ik zo'n dilemma oplossen? Ik weet het niet.

Ik zou niet weten wat mijn Ik-Mijn in mijn plaats zou doen. Als ik dat kind was. Of als ik die moeder van dat kind was. Of nee, als ik die oude heer of ouwe knar was.

Ik geloof dat ik een beetje gek aan het worden ben.

"Je moet niet zo veel naar de tv kijken", zei die bovenste buurvrouw weer. Ik stond meteen op scherp en op m'n ponteneur, zoals je dat wel opmerkt bij atletisch gebouwde hardlopers in het park. Je weet wel, in mooie pakjes en alle meiden bewonderend aan de kant. En dan ineens die dreiging om ingehaald te worden door die andere participanten in de ren- en drafsport ... van die kleine hondenmormels met de schofthoogte van een mannenkuit.

"Ik schiet ze overhoop, die krengen", wordt er dan van de sportieve kant geschreeuwd.

Zo zie je. Van het ene komt altijd het andere.

Dat noopt ons polderbewoners vanzelf tot bescheidenheid. We mogen er best prat op gaan dat we hiero, anders dan elders daaro, géén godsdienstoorlogen voeren. Toch moeten we niet te vroeg juichen. Ik voorspel dat er wel het een en ander aan zit te komen. Ik kan het zien aan de blik in de ogen van De Hoop Schepper met die tentoongestelde triomf van 'ze doen notabene alles wat wij toen ook al wilden en waar we nu tegen zijn'.

Stekeltje