nr. 98
sep 2000

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Stekeltjes

Honden niet toegestaan

Net toen ik de draaideur van de openbare bibliotheek in beweging zette, riep een op het bordes zittende daklozenkrantverkoper me terug."Honden mogen d'r niet in." Op z'n hoofd zat een duif.
Ik dacht nog 'Houdt U toch uw mond, meneer', maar ik zei "Klep dicht, zeikerd, straks horen ze het binnen en dan ben ik de sigaar."
Intussen toon ik me dankbaar voor de waarschuwing. Ik hou het hondje heel kort aan de lijn, spring schielijk voor de balie en vraag de dienstdoende functionaris waar 'inlichtingen' zit.
De portier, zonder pet, negeert mijn vraag, maar commandeert "Honden niet toegestaan, dametje." Ik ben even sprakeloos, zo klein ben ik niet en weet dat ik het beest met z'n staart tegen het schot van de balie heb gedrukt, zodat de hondengedaante er - theoretisch beredeneerd - aantoonbaar niet kan zijn.

De eerst aangewezen persoon van de biep merkt m'n verwarring op, smakt daarop tevreden met z'n lippen en wijst op de draaideur waarin de ruiten spiegelend de aanwezigheid van ieder levend wezen rondom, boven of onder aan de balie aantonen.
Ik val meteen terug in de complottheorie waarmee ik grootgebracht ben.

Onderwijl geniet de portier van het moment en vervolgt met de onverstoorbaarheid van de man die staat voor z'n taak. "Dubbele beveiliging, dame" en dreigender "Niemand komt hier binnen zonder gezien te worden!" Hij was kennelijk soldaat geweest en herinnerde zich de cursus: Zien zonder gezien te worden.
Ik denk 'verrek', maar zeg timide: "Ach meneer de beambte, het is maar zo'n klein rot hondje."
Maar de etter in uniform, zonder pet, is voor rede niet vatbaar.
Hij wijst naar de dakloze. "Misschien dat die meneer daaro bereid is om even op fikkie te letten", waarna hij met z'n hoofd een nauwelijks merkbare beweging maakt zoals gestresste portiers van heel chique hotels dat ook doen als er een taxi of kruier nodig is.
De deal met de dakloze krantenverkoper is snel gemaakt. "Je moet helemaal naar achteren lopen, daar is inlichtingen en ernaast kan je de lidmaatschapskaart verlengen."
Ik verzeker hem dat ik zo terug ben en dat ik alleen wat moet vragen.
"Je moet dus niet naar de derde verdieping gaan, want dan moet ik veel te lang op dat mormel passen. Je stelt je vraag aan dat mokkeltje achterin en je komt gelijk terug. Begrepen?"
Ik knik gehoorzaam.
"Wat wil je eigenlijk vragen, misschien weet ik het wel."
Ik antwoord naar waarheid dat ik weten wil hoeveel Bentley's en Rolls' er in de garages in Wassenaar staan.
M'n vraag verbaast hem niet en z'n antwoord komt vlug, want ook hij weet het niet. "Maar ik wil wel weten waarom je zoiets wil weten. En wat schiet je daar nou mee op."
In z'n stem klinkt geen verbazing, maar argwaan.
"Zomaar, uit leergierigheid."
Hij schudt z'n hoofd, neemt de hondenlijn aan en trekt een laatje van een draagbaar minibureautje open, waarin ik veel guldentjes zie liggen en gebiedt: "Gooi hier je twee piek in, ga de draaideur door, want als ik het al niet weet, dan maak ik me sterk dat ze het binnen wel weten" Ik hoor hem nog namompelen "Dat noemen ze leergierig, ze worden steeds gekker."
Nou, hij heeft gelijk, de bieb weet het niet.

Wanneer ik hoofdschuddend buitenkom, kijkt hij minzaam. Hij heeft allang gezien dat ik niet wijzer ben geworden. "Niks hè, wat zei ik je nou. Die bureaucraten binnen weten echt niks." Hij glimlacht triomfantelijk, blij dat hij niet de enige stommerd is. Toen de duif wegvloog, heb ik maar een krant gekocht.

Stekeltje