|
nr. 99 dec 2000 |
Solidariteit
Strijd om recht en werk in de Amsterdamse haven - één van 'de 26'"Nee vriend, vrijwillig is dat je niet moet"Henk Neijts is één van de 26 arbeiders van de Amsterdamse havenpool die nu al weer anderhalf jaar via de rechter hun ontslag aanvechten. Henk is 55 jaar en kwam in 1980 als stuwer in dienst van de Stichting Samenwerkende Havenbedrijven (SHB). "Het arbeidsbureau biedt me regelmatig werk aan, maar dat loopt allemaal op niks uit. 'U hoort van ons'. 'We bellen u'. Je bent ook verplicht je bij een uitzendbureau in te schrijven. Ze keken me daar aan en vroegen: 'Heeft u geen hondjes, meneer'. Ik zeg: 'Ja, twee'. 'Maar dan kunt u toch beter met die hondjes gaan lopen'. Zo gaat dat, ze willen me niet. Ik vul m'n briefje in en solliciteer één keer per week. Dat ik wil werken, is zeker niet genoeg. Idioot, een havenwerker kan alles, vooral werken."Op veertienjarige leeftijd is Henk als bijrijder op een vrachtwagen begonnen. "Pakkies rondbrengen, zes dagen in de week. Dat liep wel eens uit de hand en dan was ik tegen zevenen pas klaar. 'Geen probleem', zei de baas, het zit wel goed. Na drie weken ben ik gaan turven, op m'n loonstrookje stond 35 cent overwerk bij een weekloon van elf gulden. Ik naar die baas. 'Alleen al deze week heb ik zeven uur extra gewerkt'. Zegt hij: 'Maar vijf daarvan waren verplicht'. Ik naar mijn vader, een echte vakbondsman. 'Daar moet je werk van maken'. Lid van Mercurius was ik al, dat werd mijn eerste beroep op de vakbond. Nou dat heb ik geweten. 'Henk, we kunnen ons toch niet druk maken om 35 cent'. Daar stond ik dan met wat ik toen al een principiële kwestie vond. Toch ben ik al die jaren lid van de bond gebleven. Tot kort geleden. De bond was mijn werkgever geworden en we werden ontslagen. Ik wilde dat ze van A tot Z gingen uitzoeken waarom we op straat stonden. De telefoon gepakt, ik kreeg een luisterend oor en als werkloze een half jaar contributie cadeau. In mijn woede zei ik: 'Ik betaal helemaal niks meer'. Nooit meer wat gehoord. Als je toch een winkeltje hebt en je verliest na jaren een vaste klant, dan wil je toch weten wat er aan de hand is. Nee hoor, ik ben administratief verwerkt." Dat moet ik onthoudenVan bijrijder werd Henk koffiejongen in een hotel-restaurant. "Dat was mooi, ik verdiende ruim het dubbele. De oberkelner had me uitgelegd 'je moet er twee afrekenen en één in de kassa douwen, anders kom je niet aan je geld'. Zo simpel was dat voor hem. Op een vroege ochtend werkte de baas mee: 'ik heb toch de indruk dat je me tekort doet'. Bewijzen kon hij niets, maar ik wilde er van af zijn en besloot van de ene op de andere dag naar zee te gaan. Als wat ze noemden bakkersjongen op een vrachtschip. Hutten schoon maken, eten op tafel zetten en dat soort dingen. Mooie vier jaren. Maar ik werd verliefd op mijn huidige vrouw en bleef aan wal. Daarna heb ik grammofoonplaten geperst, in de bouw geopperd, maar dat was me allemaal te saai. Ik werd vervolgens stuwer in buitenhaven één, kade drie, bij Hoogovens in IJmuiden. Vooral staaloverslag, rollen staal, maar ook ruw ijzer, slakken enzovoort. In de vierploegendienst bij een koppelbaas, tegenwoordig heet dat een uitzendbureau. Begonnen als aanpikker bij de wagon, werd ik daarna bakkieschepper en bootsman. Het ging om zwaar materieel, dus de kraan moet het doen. In het ruim pik je het van de kraan af en met een zogenaamd houtje zorg je dat het niet wegrolt. In die tijd kwamen er mensen van de SHB bij ons werken, het was daar toen stil. Ze verdienden dertig procent meer en ik dacht dat moet ik onthouden. Na zeven jaar ging het slecht bij Hoogovens, dus ook bij die koppelbaas en was het werk over. Ik reed al parttime op de taxi, pakte zo wat extra's mee en ging dat daarna met een contract van een half jaar voor mijn beroep doen. Nou, dat nooit meer. Je zit in die kar opgesloten. Weer terug in de bouw, m'n broertje helpen als opperman. Een gericht beroep had ik niet, maar zwaar werk kon ik goed aan. Ook dat liep af. Zie ik ineens een advertentie "SHB Amsterdam zoekt mensen". Gesolliciteerd op de Javakade in Oost, een simpel testje en gelijk aangenomen." Klaar naar huis"Bij de sollicitatie vertelde ik, zo van de taxi te komen. Dat ik in de haven van IJmuiden had gewerkt, verzweeg ik bewust. Want dan willen ze te veel van je, snap je. In de eerste week was er geen werk. Alle dagen gebeld of het wel goed zat met mijn geld. Bij Hoogovens lag er ook wel eens geen boot voor de kant, maar dan hielden ze je bezig met vegen. Bij de SHB stuurden ze je gewoon naar huis en je loon ging door. Dat was even wennen. In de bouw was het: geen werk geen geld en als het regende kreeg je een halfje, een half weekloon. Maar bij de SHB hadden de havenwerkers het goed voor elkaar. Ik heb altijd gezellig gewerkt. Eerst op autoboten. Van die balenmeppers had ik geen hoge pet op. Ruggenbrekers. Met de eerste tien hijsen had ik verschrikkelijke moeite, tillen met z'n tweeën en tegelijk. Dan moet je echt maatjes zijn. In één ritme van werken en een bakkie nemen. Mijn eerste maat sloeg met een pikhouweel in z'n knie en moest met spoed naar het ziekenhuis. Hij kreeg infectie en z'n poot werd nog net gered. Voor hem hoefde die haven niet meer. De tweede maat was een goede bootwerker. In de balen, het stukgoed of op de autoboot, het maakte hem niets uit. Hij had maar één eis: samenwerken, elkaar door dik en dun helpen, koffie halen, een blaasje nemen. We deden alles voor elkaar. Tot hij een hernia kreeg, gelijk een dubbele, en toch maar doorsjokken. Hij was 51 en gaf het op, in de WAO. Die autoboten waren, toen er veel werk was, niet populair, want je werkte van half acht tot vier, op de klok dus. In de balen had je klaar naar huis. Je sprak met de baas een tonnage af en dan maar pompen. Dat was een sport, stevig aanpoten, je portie halen en wegwezen. Om één uur 's middags thuis, ik had genoeg te doen met drie kinderen. Ik weet ook wel dat er aan dat systeem twee kanten zitten. Snel naar huis en leuke dingen doen. Maar het is slecht voor je gezondheid en je baas kan het aantal tonnen opvoeren. Ik ben daar eerlijk in, ik heb dat gedaan. Soms kwam de baas met 'ik geef je geld, als je nog zo'n hoeveelheid er doorheen haalt'. Heb ik ook gedaan. Je was jong en frivool en je kon het. Later, toen er minder werk kwam, ben ik ermee gestopt, want dan pak je een arbeidsplaats van een ander. Kijk, je werkt voor je geld en dat is het. Maar in de haven kwam er iets speciaals bij, de saamhorigheid, dat vond ik schitterend. Improviseren, de hele reuring er omheen, rotzooi, de boten overal vandaan, de gekste lading. Je wist alles van elkaar. Als er één uit de ploeg 'nee' zei tegen de baas, stopte je allemaal en begonnen de onderhandelingen. Je eigen gang kunnen gaan, maar tegelijk afhankelijk van elkaar zijn. Als de één een fout maakt, moet de ander het bezuren. Die tijd is voorbijgevlogen, ik zou zo terug willen." Het gaat om het principe"Nou moet ik niet gaan romantiseren. Want eigenlijk al in de tweede helft van de jaren tachtig begon het te veranderen. Het havenwerk werd gemoderniseerd en de sfeer verhardde snel. De oude garde werd opgeruimd, 57½-jarigen vertrokken met bosjes. Ik snapte die mensen wel, want werken doe je uit noodzaak. Maar zo ging ook de ervaring weg, de kennis, de traditie en de weerstand tegen de bazen. De tonnen gingen omhoog, de norm was 175 ton en dat is zat om met z'n zessen weg te gooien. Het werd 180 ton en uiteindelijk 225. Een uurtje of vijf buffelen en dan naar huis, dat gaat nog wel. Maar acht uur met veel geschreeuw en toezicht, dat red je niet. Toen dacht ik, ze maken ons kapot. Het werd keihard en er kwamen steeds meer duvelstoejagers die hun mond vol hadden van 'anders rot je maar op'. Met als gevolg dat we vaak niet meer dan 150 ton deden, maar dan wel in een verrotte sfeer. Kijk, ik was geen kaderlid of zo, maar deed altijd met acties mee. Tegen de bazen hield ik nooit m'n mond. In 1997 hadden we een tijdelijk directeur en die vond dat we in Rotterdam moesten werken, met de nadruk op 'moesten'. Ik zei 'nee vriend, het is op vrijwillige basis en dat betekent dat je niet moet'. Bovendien wilde hij van de toeslag af, flexibiliteit heette dat. Diezelfde directeur moest bepalen wie ontslagen werd. Ik moest bij hem komen. 'Heb je hobby's', vroeg hij. Toen wist ik het wel. Ik heb direct tegen mijn ontslag geprotesteerd. Maar er bestond een onzinnige situatie. De bond die je moest beschermen, was je werkgever die je ontsloeg. Volgens mij had de pool nog jaren door kunnen gaan. We hebben altijd gedraaid op het nationaal economisch belang van de haven. Al die jaren hebben de werkgevers geprofiteerd van het feit dat een groot deel van de leegloop door de regering werd betaald. Nu hadden wij aan de beurt moeten komen. Desnoods in een tijdelijke regeling, want op dit moment is er werk zat in de haven. Met die rechtszaak zetten we de strijd door. We willen ons gelijk halen. Het gaat om het principe, we zijn als een zak cement op straat gezet. En als we ons werk niet terugkrijgen, moeten ze dat maar afkopen. Zo zit de maatschappij toch in elkaar?" Hans Boot Foto: Als geboren Fries staat Henk voor zijn lijfspreuk "Liever dood dan slaaf". |