Notitie

Bijdrage voor redactie 5 mei 2022 - actuele staat vakbeweging

We spraken af dat ieder van ons zijn discussiebijdrage over 'hoe de vakbeweging (FNV) ervoor staat en waarom', tegen de achtergrond van de voorlopige opwarmer van de conferentie over veertig jaar Solidariteit “strijdbare vakbeweging - mogelijkheid of illusie” schriftelijk te noteren. Hier kortheidshalve puntsgewijs geformuleerd; hopelijk rijp voor nadere concretisering.

Hoewel het begrip/verschijnsel 'strijdbare vakbeweging' de nodige theoretische aandacht verdient (zie bijvoorbeeld vanaf pg. 214 in “Om de vereniging van de arbeid”) zal zo'n vakbond zichtbaar zijn – op de arbeidsplaats, op straat, in de (sociale) media en bij relevante door andere organ1saties/groepen georganiseerde manifestaties en demonstraties. Dat betekent ook deelname aan maatschappelijke debatten en daarin leden mobiliserend en opinie vormend. Zichtbaarheid veronderstelt aanwezigheid. Niet alleen reagerend, ook op eigen initiatief en juist daar waar ze tot nu toe meestal ontbreekt – bij de losse of 'informele', precaire arbeid en migrantenarbeid op tijdelijke basis (van slachthuis tot tuinbouw). Dat betekent dus ook regelmatig naar die arbeidsplaatsen gaan en daar hulpverlenen, belangen behartigen, organiseren en leden werven.

Dat laatste bij een dalend aantal leden is een ernstig probleem, niet alleen de laatste jaren, maar al eerder. Met twee kanttekeningen. Niet alleen bij de vakbeweging, niet alleen in Nederland. Hoe verklaren we dat? Individualisering, sociale onverschilligheid? Door het vakbondsbeleid bevestigd, versterkt? Ook elders dus. In welk opzicht specifiek voor Nederland? En/of is er in de organisatie van de arbeid, internationaal, sprake van ontwikkelingen die de organisatie door de arbeid belemmeren? Hier wat meer aandacht voor de laatste vraag met de opmerking dat geen enkele sociaaleconomische ontwikkeling de vakbeweging en haar leden vrijwaart. Met opnieuw een vraag: 1s de vakbeweging zo opgenomen, of zo'n deel van de besturing van het maatschappelijk en kapitalistisch systeem dat elke spoortje van tegengas verschrompelt of ontbreekt. Ligt daar doorredenerend de internationale neergang van 'oppositioneel links', al of niet parlementair?

Veel vragen, te veel, en daarom wat langer stilstaan bij de organisatie van de productie/ dienstverlening. Zij het zeer beknopt. Om te beginnen, allerlei vormen van losse arbeid zonder collectieve arbeidsovereenkomst die veelal zonder enige vorm van samenwerking met 'collega's' wordt verricht, weinig onderlinge contacten, concurrerend, hoge en kortdurende eisen aan de snelheid van arbeidshandelen en vaak gebonden aan een bepaalde levensfase, sociale situatie, seizoen of burgerlijke status ('illegaal'). Geen gunstige voorwaarden voor zelf- of vakorganisatie. Daar tegenover staat de (hoog)geschoolde arbeid die bedrijfs- of kapitaalgebonden kwalificaties vereist en een bovenmodaal loon biedt. Opgenomen in een participerend management en een vanzelfsprekende systeemvriendelijke ideologie. Daarbinnen functioneert een zekere vrijheid van handelen en initiatief. Een intellectuele tevredenheid is goed denkbaar. Ongevoelig voor een organisatie die hoe licht ook de bestaande situatie kritiseert. Deze 'bedrijfscultuur' kan zich ook werpen op andere lagen van de onderneming.

Sectoren met een relatief hoge organisatiegraad als onderwijs, gezondheidszorg of overheidsorganisaties maken al langere tijd een positie door van matige inkomens, overbelasting en personeelstekort.
Bezuinigingen en toenemend aantal taken zetten hun traditionele maatschappelijke verantwoordelijkheid onder zware druk. Een verantwoordelijkheid die veelal samengaat met een selectieve 'actieradius' die bijzondere eisen stelt aan de activiteiten van de betreffende vakbonden.

Tot slot. De ontbindende invloed van de 'nieuwe' vormen van internationale/globale arbeidsverdeling. De totale productie opgedeeld in een keten over meerdere landen, met verschillende taken en verschillend 'welvaartsniveau' heeft zowel invloed op de onderlinge afhankelijkheid als op een beperkte identificatie met het nationale 'bedrijfsonderdeel'. Ongrijpbaar, dus met minder mogelijkheden tot invloed en controle. Een omstandigheid die de mogelijkheid tot vakorganisatie beperkt.

Hans Boot