De FNV verloor leden door haar apparaat
Waar komt vakbondsmacht vandaan?
Foppe de Haan (1)
Vakbonden hebben één bestaansrecht: de collectieve macht van hun leden organiseren. Dat maakt ze anders dan elke andere organisatie in het maatschappelijk middenveld. Een actiegroep die alleen aan belangenbehartiging doet, kan functioneren met een passief donateursbestand. Een liefdadigheidsinstelling kan functioneren met alleen personeel. Een vakbond die geen geloofwaardige stakingsdreiging kan organiseren, heeft geen macht. Zonder die macht rust al het andere dat hij doet — lobbyen, adviseren, onderhandelen — op de goede wil van het kapitaal en de burgerlijke staat. Niet op het vermogen om de productie stil te leggen, of om op een andere manier kosten op te leggen aan wie weigert toe te geven. En binnen de bonden bepaalt de vraag wie de koers en het handelen van de organisatie aanstuurt — de leden of het personeel — of de vakbond werkelijke macht heeft of slechts een plek aan tafel.
Het is van belang om duidelijk te zijn waar die macht voor dient, want de Nederlandse overleg-taal is erop gebouwd dit te verzachten. De arbeidsverhouding is geen ruil tussen gelijken die het af en toe oneens zijn. Arbeiders verkopen het enige dat ze te bieden hebben terwijl ze elke maand loon nodig hebben; bedrijven kopen in en kunnen wachten. Wat zij inkopen is bovendien geen vaste hoeveelheid arbeid, maar arbeidsvermogen: wat het oplevert moet nog blijken. Tempo, uren, inspanning en omstandigheden worden in de regel pas ná ondertekening van het contract uitgevochten, op de werkplek.
En loon en winst zijn delen van één product: wat de baas overhoudt is wat arbeiders opleveren minus wat hun betaald wordt. Dit speelt niet alleen bij slechte bazen. Het zit in de verhouding zelf en het overleeft elke hoeveelheid wederzijdse goede wil. Daarom valt er individueel niets te winnen en is samenwerking een noodzaak. Een vakbond is wat arbeiders hebben in plaats van een onderhandelingspositie: alleen samen kunnen ze de productie stilleggen en alleen dan wordt het voor de baas beter om toe te geven. Het uitgangspunt van het poldermodel — dat kapitaal en arbeid “sociale partners” zijn wier belangen aan tafel te verzoenen zijn — heft die tegenstelling niet op. Het beheert haar. En zoals dit artikel laat zien, gebeurt dat op voorwaarden die gestaag zijn opgeschoven in het voordeel van bezittenden.
In een ander artikel ben ik ingegaan op de vraag hoe professionalisering klassenverhoudingen produceert binnen non-profitorganisaties en sociale bewegingen in bredere zin. De vakbond is waar deze ontwikkelingen het duidelijkst botsen met het functioneren van de organisatie. Een milieu-organisatie kan zelf bepalen wat ze als 'succes' beschouwt. Als een vakbond daarentegen faalt, merken leden dat direct aan hun loon, arbeidsomstandigheden of hun pensioenregeling — en aan de actiebereidheid van collega's. Dat falen wordt gevoeld en dat is meer dan een rekensom.
En als we kijken hoe de ledentallen zich al tientallen jaren ontwikkelen, lijkt het duidelijk dat leden het vertrouwen in de bond zijn verloren. De sectoren die nu de hoogste organisatiegraad hebben, zijn de sectoren die weinig van internationale concurrentie te vrezen hebben. Meerdere sectoren zijn niet of nauwelijks georganiseerd: de ICT, de complete uitzendbranche, de zakelijke dienstverlening, land- en tuinbouw, de horeca, de handel en in mindere mate de financiële dienstverlening. Die lage organisatiegraad is overigens in veel landen een probleem: mensen werken er kort, wisselen vaak van bedrijf, of mogen ergens alleen via (buitenlandse) uitzendbureaus werken, die ook hun eigen redenen hebben om te zorgen dat werkenden geen banden of rechten opbouwen. Maar het is opvallend dat vakbonden dit zo op zijn beloop laten.
Twee lezingen van dezelfde leegte
Lees Verder
vakbondsmacht
vandaan?
(1) Foppe is lid van de FNV en werkzaam in de postbezorging, daarnaast actief in de R.S.P. en de Nederlandse Vereniging voor Veganisme en schrijft over klassenoverheersing op beyondmeritocracy