Uitspraak rechtbank Amsterdam, CV 01-12297, 14 juni 2002

Inhoud

Titel pagina

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten
Vordering
Verweer
Beoordeling

BESLISSING

 

 

Zie ook de artikelen Onverbloemde politieke rechtspraak en Kantonrechter beloont ordehandhavers uit Solidariteit nr. 108 en ons dossier.
Deze pagina is toegevoegd door Solidariteit, het volgende is een zo letterlijk mogelijk gedigitaliseerde versie van het vonnis.


Rechtbank Amsterdam
sector kanton - locatie Amsterdam
Postadres postbus 70515, 1007 KM Amsterdam
mr. W.G. Fischer
Nieuwe Gracht 5 A
2011 NB Haarlem

Contactpersoon

mw. A. van den Hogen - Jun / Team D

Doorkiesnummer(s)

(020) 541 28 86

Datum

19 juni 2002

Ons kenmerk

418488 \ CV EXPL 01-12297 / Formnr. L00

Uw kenmerk

0402a F/av

Bijlage(n)

Partijen

Bakker vs SPANO
DIT WORDT U ZONDER VERDER BEGELEIDEND
SCHRIJVEN TOEGEZONDEN.


RECHTBANK AMSTERDAM
SECTOR KANTON - LOCATIE AMSTERDAM
Rolnuminer: CV 01-12297
14 juni 2002
246

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam in de zaak van:

  1. Johannes Theodorus Bakker
    wonende te Andijk
  2. Bernhard Frederik Braster
    wonende Utrecht
  3. Johan Dros
    wonende te Harderwijk
  4. Hendrik Albertus Elout
    wonende te Amsterdam<
  5. Gerrit Foekens
    wonende Amsterdam
  6. Cornelis de Haan
    wonende te Amsterdam
  7. Leopold Raoul Herman
    wonende te Purmerend
  8. Faisal Emiliano Clyde Jubitana
    wonende te Zaandam
  9. Anton Koelewijn
    wonende te Spakenburg
  10. Leonardus Dirk Lauppe
    wonende te Zaandijk
  11. Cornelis Mantoua
    wonende te Amsterdam
  12. Hendrikus Johannes Petrus Neijts
    wonende te Haarlem
  13. Gijsbertus Johannes Pothoven
    wonende te Amsterdam
  14. Rudolf Johannes Pothoven
    wonende te Amsterdam
  15. Cornelis Wilhelmus Johannes Rietveld
    wonende te Hoorn
  16. Johannes Jacobus Roedoe
    wonende te Amsterdam
  17. Klaas Smit
    wonende te Amsterdam
  18. Josephus Tieken
    wonende te Amsterdam
  19. Rudolf Gerardus Toornman
    wonende te Amsterdam
  20. Hendricus Albertus Vink
    wonende te Amsterdam
  21. Hendrik Jacobus de Vink
    wonende te Purmerend
  22. Bouke de Vries
    wonende te Amsterdam Zuid-Oost
  23. Pieter van Well
    wonende te Heerhugowaard
  24. Ab de Wildt
    wonende te Amsterdam
  25. Theo van Zantvoort
    wonende te Amsterdam
eisers nader te noemen Bakker c.s.
gemachtigden: mr. W.G. Fischer en B.M. Voogt

t e g e n

De stichting Stichting Personeelsvoorziening Amsterdam Noordzeekanaalgebied Operationeel (SPANO)
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam
gedaagde
verder SPANO te noemen
gemachtigde mr. R van der Stege


VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

Vervolgens is vonnis bepaald op 5 april 2002 dat is aangehouden tot heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:
1.1 Sedert een aantal decennia is er binnen de Amsterdamse Haven sprake van een zogenaamde "Arbeidspool". Het betreft hier een personeelsvoorziening, waarvan Amsterdamse havenbedrijven gebruik kunnen maken indien zij arbeid hebben te verrichten en niet zelf kunnen voorzien in de personeelsbehoefte voor het laden en lossen van zeeschepen. De aangesloten bedrijven hadden zich middels bepalingen uit de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten verplicht om, indien zij tijdelijk in hun personeelsbehoefte dienen te voorzien, deze arbeid af te nemen van deze Arbeidspool.
1.2 Tot 1995 was de Amsterdamse havenpool georganiseerd in een Stichting (SHB). Media 1995 vond er, gezien de zich voordoende omstandigheden, waaronder de slechte bedrijfseconomische positie van de toenmalige SHE, een omzetting plaats van de arbeidspool. De onderneming werd gecontinueerd in een besloten vennootschap, geheten AAN BV (Arbeidspool Amsterdam Noordzeekanaalgebied BV).
1.3 AAN BV bleek uiteindelijk niet levensvatbaar. Het faillissement van AAN BV is op 2 september 1997 uitgesproken. Alle 315 werknemers van AAN BV, waaronder eisers in onderhavige procedure, zijn kort daarna door de curator met inachtneming van de geldende opzegtermijnen opgezegd.
1.4 De ontstane situatie leidde eind 1997 tot arbeidsonrust in de Amsterdamse haven, althans onder het personeel van de gefailleerde vennootschap.
1.5 Het faillissement van AAN BV leidde tot onderhandelingen tussen de betrokken belanghebbenden. Het ging hier in de eerste plaats om de toenmalige Vervoersbonden FNV en CNV en in de tweede plaats om de Amsterdamse havenwerkgevers die belang bleven houden bij een arbeidsvoorziening, teneinde in hun flexibele vraag naar arbeid te kunnen voorzien. Verder waren bij genoemde onderhandelingen de Gemeente Amsterdam en Arbeidsvoorziening betrokken, de eerste omdat zij, kort samengevat, belang had bij arbeidsrust in de haven en de tweede omdat zij, middels instrumenten die haar op het terrein van de arbeidsvoorziening ten dienste stonden, wellicht een bijdrage zou kunnen leveren aan een sociaal aanvaardbare oplossing voor de betrokken werknemers.
1.6 De vorenbedoelde onderhandelingen dreigden lange tijd op niets uit te lopen. In essentie kwam een en ander er op neer dat de betrokken vakbonden van mening waren dat de Amsterdamse havenwerkgevers, die immers belang hadden bij een gecontinueerde voorziening in tijdelijk arbeid, weinig bereid waren om bij te dragen aan een mogelijke doorstart van de arbeidspool respectievelijk de opvang van de sociale gevolgen en voorts dat zij niet bereid waren om verantwoordelijkheden te nemen in verband met het besturen van een rechtspersoon die de mogelijke doorstart vorm zou kunnen geven.
1.7 Gezien het feit dat enerzijds de betrokken vakverenigingen zich wisten geconfronteerd met de positie van hun leden die allen het vooruitzicht hadden op een periode van werkloosheid, zonder enige opvang van de gevolgen die een dergelijke werkloosheid met zich mee zou brengen, en anderzijds de Amsterdamse havenwerkgevers blijk gaven van de wens om gebruik te kunnen blijven maken van een adequate personeelsvoorziening, werd er eind november 1997, waarbij de toenmalige wethouder mevrouw P. Krikke als bemiddelaar tussen partijen optrad, een laatste poging gedaan om tot afspraken te komen. Uiteindelijk kwam een principe-akkoord tot stand tussen de betrokken vakbonden en de Amsterdamse werkgevers, geheten "Hoofdlijnen voor het ontwerp van een bedrijfseconomische en sociaal acceptabele personeelsvoorziening voor de Amsterdamse Haven", verder te noemen "Het Accoord".
1.8 De van belang zijnde bepalingen van Het Accoord dat hoewel niet getekend toch het uitgangspunt is geweest waarnaar alle betrokken partijen zich verder hebben gericht, luiden:
"Contouren
De Vervoersbonden FNV en CNV en de Amsterdamse havenbedrijven hebben overeenstemming bereikt over de contouren van een nieuwe personeels- voorziening voor de Amsterdamse haven. Tevens is hiermee de oplossing bereikt voor de sociale gevolgen die door het faillissement van Arbeidspool ANZKG (AAN BV nt. kantonrechter) dreigden te ontstaan.
(..)
De oplossing van de problematiek, ontstaan door het faillissement van de Arbeidspool ANZKG, wordt onderscheiden in twee fasen. Resultaat is dat het voor werknemers van de Arbeidspool ANZKG mogelijk blijft om op basis van de haven-CAO in de hierna te noemen Stichtingen A en B de flexibele vraag naar arbeid van de havenbedrijven in te vullen.

Fase l

Test-, scholings- en oriëntatiefase
Met ingang van 19 november 1997 wordt een Stichting (geheten A) opgericht. Al de werknemers van de Arbeidspool ANZKG wordt een dienst verband voor bepaalde duur aangeboden. Tijdens dit dienstverband zal er sprake zijn van leer- en werkmomenten.
Aan het einde van de eerste fase zullen, in overleg met een onafhankelijke instantie, keuzen gemaakt moeten worden door de ex-werknemers van de Arbeidspool ANZKG.

Nadere uitwerking fase 1

De eerste fase duurt in principe een halfjaar. Aan alle werknemers van de Arbeidspool ANZKG zal een dienstverband met de Stichting A werden aangeboden. Indiensttreding zal plaatsvinden de dag nadat de opzegtermijn van de Arbeidspool ANZKG is verstreken.
De havenbedrijven zullen hun vraag naar flexibele arbeid invullen via Stichting A. (..) De werknemers worden met behoud van uitkering gedurende gemiddeld drie dagen in de week getest en ontvangen een korte opleiding en een oriëntatie op de arbeidsmarkt
(..)
Rechtspersonen
Voor het uitvoeren van de afspraken zullen rechtspersonen worden opgericht. Voor de oriëntatiefase zal dat de Stichting A zijn.
De Stichting A zal ook de rechtspersoon zijn, die zorgdraagt voor de uitvoering van de scholingspool.
Vervoersbonden en het RBA zullen deze Stichting gezamenlijk oprichten en de bestuurders benoemen.
Voor die werknemers die in de operationele pool zullen deelnemen, zal ook een Stichting (B) worden opgericht door de Vervoersbonden. Het bestuur van deze Stichting wordt benoemd door de Vervoersbonden. Deze Stichting zal zorgdragen voor de uitvoering van de afspraken en genoemd bij punt 4: nadere uitwerking operationele arbeidsvoorziening.
(..)
Gegeven de garanties van de havenbedrijven, kan een inkomensniveau voor de werknemers worden gegarandeerd van minimaal 85% van het laatstverdiende schema-maandsalaris. Deze garantie is van toepassing tot een jaarinkomen van maximaal f 72.000,- bruto.
Oriëntatie, testen op en het geven van korte opleidingen wordt verzorgd door een onafhankelijk instituut. Dit instituut geeft aan het einde van de periode een objectieve beoordeling van de mogelijkheden van de werknemers, op grond waarvan de werknemers aan een opleidingsvoorziening, of (in) een operationele regionale pool, te noemen Stichting B, kunnen deelnemen, of op basis van een sociaal plan uitstromen.
Nadere uitwerking fase 2 (de scholingspool) Stichting A vervolgt in principe na zes maanden van de inwerkingtreding van de oriëntatie- en testfase met een opleidings- en werktraject; we noemen dit de scholingspool. (..) De scholingspool bestaat in principe één jaar, waarna alle werknemers of uitgestroomd zijn naar een functie binnen of buiten de haven, of doorstromen naar de Stichting B. (..)
Het inkomensniveau van de werknemers zal in die periode minimaal 80% van het laatstverdiende schema-maandsalaris bedragen. Deze garantie is van toepassing tot een jaarinkomen van maximaal f 72.000,00 bruto.
Nadere uitwerking Stichting B (operationele pool)
Na de oriëntatie- en testfase zal een aantal werknemers in de gelegenheid worden gesteld om een dienstverband aan te gaan met de Stichting B. Dit gebeurt op basis van het advies van de onafhankelijke instelling. (..)

1.9 Bij de totstandkoming van Het Akkoord waren betrokken partijen zich er van bewust dat een levensvatbare arbeidspool in toekomst met minder werknemers zou worden gecontinueerd dan de 315 die werkzaam waren bij AAN BV. In dit verband zij opgemerkt dat de enige inkomsten van de arbeidspool de bedragen zijn die zij ontvangt van de bedrijven voor de geleverde diensten en dat de uitgaven van de Arbeidspool vrijwel geheel bestaan uit salarissen aan het personeel. Op grond van de zich media mei 1998 voordoende bedrijfseconomische omstandigheden en de prognoses met betrekking tot de af name van diensten zou op enig moment warden bepaald hoeveel werknemers er zouden kunnen doorstromen naar bedoelde operationele pool. Uiteindelijke leidde dit tot een operationele pool die in juni 1998 haar activiteiten aanving met een personeelsbestand van 110.
1.10 Van de zijde van de Gemeente Amsterdam werd een achtergestelde renteloze lening verstrekt van 1 miljoen gulden, terwijl de RBA, hierna ook te noemen Arbeidsbemiddeling, bijdragen zou te leveren op het terrein van testen, opleidingen en bemiddeling. Uit de mededelingen terzake van het LISV volgde dat de betrokken werknemers gedurende de periode van testen en opleidingen niet verweten zou warden dat zij niet elders zouden solliciteren. De garanties van de Amsterdamse werkgevers waren noodzakelijk voor een mogelijk zinvolle doorstart en de verdere sociale maatregelen.
1.11 In het akkoord garandeerden de werkgevers gedurende de eerste anderhalf jaar een aantal af te nemen diensten. Voor de periode daarna werd er geen enkele garantieverplichting overeengekomen.
1.12 Een bijzonder groot probleem bij de totstandkoming van het akkoord was nog de discussie over de vraag wie over zou gaan tot oprichten van de Stichtingen en wie deze Stichtingen zou besturen. In SPAN hebben de voormalige Vervoersbonden FNV en CNV, inmiddels FNV Bondgenoten respectievelijk CNV Bedrijvenbond, alsmede Arbeidsvoorziening zitting, althans zij hebben een voordrachtsrecht ten aanzien van zetels in het bestuur. In SPANO hebben FNV Bondgenoten en de CNV Bedrijvenbond zitting, althans zij hebben een voordrachtsrecht ten aanzien van zetels in het bestuur. De havenwerkgevers bleken niet bereid in het bestuur van SPANO deel te nemen.
1.13 De vakbonden hebben Het Accoord inclusief hun deelname aan de in dat Accoord genoemde Stichtingen A en B (later SPAN respectievelijk SPANO) aan de leden van de vakbonden voorgelegd. De leden van de vakverenigingen gingen in meerderheid accoord met Het Accoord.
1.14 Met ingang van 17 december 1997 werd iedere "ex-AAN--werknemer" in de gelegenheid gesteld om een dienstverband voor bepaalde duur aan te gaan met SPAN. Kern van de arbeidsovereenkomst was dat de betrokken werknemers op gemiddeld 2 dagen per week feitelijk havenwerkzaamheden verrichtten bij een van de havenbedrijven. Voor het overige waren zij gehouden om actief medewerking te venlenen aan een door de REA geïnitieerd project teneinde zich te laten testen, zich te laten scholen of zich te laten bemiddelen naar ander werk binnen of buiten de haven. Op de dagen waarop feitelijk niet wend gewerkt kon aanspraak warden gemaakt op een uitkering krachtens de werkloosheidswet, waarbij voor wat betreft de uitvoering rekening werd gehouden met het genoemde test,- scholing,- en bemiddelingstraject. De werknemers ontvingen een aanvulling tot 100% van hun schemasalaris, met een maximum van f 72.000,- op jaarbasis.
1.15 Op 17 juni 1998 liepen alle gesloten arbeidsovereenkomsten van rechtswege af. Hieraan voorafgaand was vastgesteld op basis van de opgedane ervaringen en de prognoses hoeveel personen er in de gelegenheid zouden warden gesteld om in dienst te treden van de operationele pool. Uiteindelijk werd besloten dat er om een enigszins levensvatbare arbeidspool te creëren, 110 personen in de gelegenheid zouden worden gesteld om in dienst te treden van de operationele pool. Hiertoe was een tweede stichting opgericht en wel SPANO. De overige werknemers van SPAN, 144 personen, waaronder eisers, werd een verlenging van hun dienstverband met SPAN voorde duur van één jaar aangeboden, teneinde in dit jaar alsnog in een situatie te geraken waarin zij zouden kunnen warden bemiddeld naar ander werk. Gedurende dit jaar behielden zij hun aanspraken op 100% van hun schemasalaris.
1.16 SPANO is opgericht op 23 juni 1998.
1.17 In december 1998 bleek dat er inmiddels 47 werknemers die in dienst waren van SPAN elders een dienstverband hadden kunnen aanvaarden. Op 22 december 1998 waren en nog 97 werknemers in dienst van SPAN waaronder eisers. Deze zijn, nadat de melding volgens de WMCO had plaatsgevonden en ontslagvergunningen waren verleend met inachtneming van de van toepassing zijnde opzegtermijn ontslagen. De dienstverbanden zijn beëindigd tussen 17 juni 1999 en 4 februari 2000.
1.18 De heer Schwarzwälder, directeur van SPANO, heeft verklaard ter gelegenheid van een voorlopig getuigenverhoor door de kantonrechter alhier gehouden op 4 november 1999, dat het juist is dat de problemen van SPAN na 17 juni 1999 worden opgelost door SPANO kantoororganisatie, omdat de manager van SPAN, mevrouw Pront, op die datum is vertrokken.
1.19 Met eiser Smit is geen verlengd dienstverband aangegaan.

Vordering

2. Bakker c.s. vordert primair te verklaren voor recht dat de onderneming van SPAN is overgegaan op SPANO in de zin van artikel 7:662 BW en dat de arbeidsovereenkomsten van Bakker c.s. met SPANO voortduren alsmede SPANO te veroordelen tot tewerkstelling van Bakker c.s. en voorts SPANO te veroordelen tot betaling aan Bakker c.s. van het loon vanaf 17 juni 1999 tot aan de dag den rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst en subsidiair, voor het geval de kantonrechter tot het oordeel komt dat er geen sprake is van overgang van onderneming van SPAN naar SPANO in de zin van artikel 7:662 BW, te verklaren voor recht dat SPANO aan Bakker c.s. een arbeidsovereenkomst ingaande 17 juni 1999 had moeten aanbieden op grond van Het Accoord en SPANO te veroordelen tot vergoeding aan Bakker c.s. van de schade, nader op te maken bij staat, geleden doordat SPANO ten onrechte op 17 juni 1999 geen arbeidsovereenkomst heeft aangeboden en een arbeidsovereenkomst met ingang van een door de kantonrechter te bepalen tijdstip, of meer subsidiair, voor zover de kantonrechter tot het oordeel komt dat van SPANO niet gevergd kan worden aan Bakker c.s. alsnog arbeidsovereenkomsten aan te bieden, ook hiervoor een schadevergoeding toe te kennen op te maken bij staat.

Verweer

3. SPANO voert gemotiveerd verweer tegen de vordering.
4. Partijen hebben hun stellingen neergelegd in hun schrifturen welke als hier ingelast moeten worden beschouwd. De stellingen zullen des nodig hieronder afzonderlijk aan de orde worden gesteld.

Beoordeling

5. De kantonrechter oordeelt als volgt.

Primair stelt Bakker c.s. dat in casu de door SPAN gedreven onderneming in de zin van artikelen 7:662 3W e.v. is overgegaan op SPANO. Als gevolg daarvan zouden op voet van voormelde wetsartikelen hun arbeidsovereenkomsten zijn overgegaan op SPANO, welke onderneming derhalve hun werkgever is vanaf de oprichting of enig moment nadien. Daartoe wijzen zij erop dat SPANO de kantoororganisatie van SPAN heeft overgenomen. Ook acht Bakker c.s. de gekozen constructie in Het Accoord in strijd met de voornoemde artikelen. De kantonrechter overweegt dienaangaande als volgt.

De artikelen 7:662 e.v. BW berusten op een EU-richtlijn (77/187). Ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie voor de Europese Unie (het Hof) dient de rechter ingeval van een beroep op de uit deze richtlijn voortvloeiende wetgeving na te gaan of tengevolge van een overeenkomst - zoals aan dat begrip in jurisprudentie van het Hof nader vorm is gegeven - de onderneming een nieuw hoofd (als hoedanig het Hof de ondernemer aanduidt) heeft gekregen. Daaruit volgt dat de kantonrechter heeft na te gaan of in deze sprake is van het wisselen van het hoofd van een voor en na die wisseling gelijke onderneming dan wel dat een onderneming met een eigen identiteit (in deze een nieuw opgerichte onderneming) een aantal van de voormalige werknemers van SPAN in dienst heeft genomen. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Is de onderneming van SPANO dezelfde in de zin van voormelde jurisprudentie als de onderneming waarvan SPAN het hoofd was? Bij het beantwoorden van deze vraag dienen de van belang zijnde elementen ieder afzonderlijk en in onderlinge samenhang te worden gewogen en beschouwd.

De onderneming waarvan SPAN het hoofd was, omvatte een keur van activiteiten onder 1.8 van de vastgestelde feiten omschreven. Deze waren alle gericht op de begeleiding van de betrokken voormalige werknemers van AAN B.V. bij het verkrijgen van ander werk, het hen verschaffen van aanvullend inkomen en het inzetten van hen voor werkzaamheden in de haven dit met behoud van hun uitkering hetgeen instemming, die ook is verkregen, van de uitkerende autoriteiten noodzakelijk maakte immers niet paste in de regels van de Werkloosheidswet. Het begeleiden van de werknemers hield mede in het selecteren van werknemers die in staat zouden worden gesteld bij een als duurzaam bedoelde organisatie in dienst te treden welke de werkzaamheden zou gaan uitvoeren die voorheen door AAN B.V. werden verricht.

Alle voormalige werknemers van AAN B.V. werd de mogelijkheid geboden met SPAN een arbeidsovereenkomst aan te gaan; uit het vorenstaande vloeit voort dat zij, als zij in dienst traden, vervolgens zowel in de haven zouden arbeiden als zich onderwerpen aan het programma van training, begeleiding, scholing en selectie. Met nadruk zij daarbij aangetekend dat betrokkenen geheel vrijwillig bij SPAN in dienst konden treden. Zij waren daarenboven niet werkloos geworden als gevolg van een door AAN E.V. uitgelokt faillissement met het oog op het ontduiken of ontgaan van de werking van de artikelen 7:662 e.v. BW, maar tengevolge van een onontkoombaar faillissement, immers kosten en baten bleken elkaar niet (meer) te dekken. Van belang is daarbij dat alle betrokken werknemers in staat zijn gesteld met Het Accoord in te stemmen en dat een meerderheid dat heeft gedaan.

SPAN was derhalve een hele bijzondere constructie door alle betrokken instanties en de bonden opgezet met een tweeledig doel namelijk het voortzetten van de havenpoolactiviteiten, noodzakelijk voor het voortbestaan van de Amsterdamse havenbedrijven die zich niet ieder afzonderlijk konden permitteren een werknemersbestand aan te houden dat piekbelasting aankon en het daardoor voorkomen van onrust die zou kunnen ontstaan door het optreden van koppelbazen, aismede bet voorkomen van onrust door de optredende werkloosheid als gevolg van het faillissement van AAN B.V.. Kenners van de sociale geschiedenis van de havens, en dat waren de meeste zo niet alle bij de oprichting van SPAN betrokken instanties en organisaties, wisten wat onrust in de havens voor de sociale verhoudingen en ontwikkelingen in Nederland kon betekenen. Zij onderkenden de situatie zoals die door het faillissement van AAN B.V. was ontstaan als bron van onrust en er moet hen vanuit die langjarige ervaring veel aan gelegen zijn geweest, zoals ook uit de vastgestelde feiten blijkt, die bron te stoppen. Hoezeer alle bij de havens, de Amsterdamse zowel als de Rotterdamse, betrokkenen erop gespitst zijn arbeidsonrust in de havens te voorkomen wordt wel bewezen door de artikelen 69-71 (oud) van de Werkloosheidswet 1987; deze toch gaven een wettelijke basis aan de privaatrechtelijke maatregelen gericht op de geruisloze afbouw van het werknemersbestand in de havens, wettelijke maatregelen die in een andere bedrijfstak niet zo snel denkbaar zijn.

Naar het oordeel van de kantonrechter betekent het vorenstaande het volgende. De activiteiten van de door SPAN geleide onderneming dienen gelet op de opzet en de achtergrond ervan als een geheel te worden genomen in het kader van de vaststelling van de identiteit van de onderneming. Die opzet was door de partijen bij Het Accoord voorzien; daarvoor waren de oprichters van SPAN bereid verantwoordelijkheid te nemen.

SPANO leidt een in principe anders gerichte onderneming. Die onderneming toch stelt zich ten doel te voorzien in de telkens bij de verschillende havenbedrijven op verschillende momenten optredende tijdelijk sterk stijgende vraag naar arbeidskrachten. De onderneming is gericht op continuïteit en dient zichzelf te bedruipen.

SPAN heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet dezelfde onderneming geleid als SPANO thans doet. Door anders te oordelen zou de kantonrechter op onaanvaardbare wijze afbreuk doen aan de bedoelingen van de oprichters van SPAN, immers oordelen dat de ten deze relevante activiteiten van SPAN slechts de naar buiten gerichte havenactiviteiten waren. De oprichters waren echter slechts bereid met instemming van de meerderheid van de betrokken werknemers, die over Het Accoord hebben gestemd, voor de onderneming van SPAN verantwoordelijkheid te nemen als de werknemers zich verbonden aan alle activiteiten deel te nemen. Die opvatting van de identiteit van de onderneming van SPAN is naar het oordeel van de kantonrechter gelet op alle omstandigheden als bovengeschetst de juiste.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat hier sprake is van door respectievelijk SPAN en SPANO geleide afzonderlijke ondernemingen. Niet juist is derhalve de opvatting als zou SPANO de door SPAN geleide onderneming hebben overgenomen. De artikelen 7:662 e.v. BW missen derhalve toepassing.

De kantonrechter wil nog het volgende opmerken. Er is geen sprake van het ontduiken of ontgaan van de artikelen 7:662 e.v. BW in deze. De voormalig werknemers van AAN B.V. konden geheel vrijwillig in dienst treden van SPAN de opzet van SPAN was hen bij indiensttreding bekend en een meerderheid van de aanwezigen ter vergadering waar Het Accoord was voorgelegd, had daar van tevoren mee ingestemd. In dit opzicht is er een fundamenteel onderscheid met tal van constructies waarbij wordt gepoogd reeds bij de over te nemen onderneming in dienst zijnde werknemers op het moment van de overname met behulp van deze constructie uit te sluiten van voortzetting van hun dienstverband met de overnemende organisatie. Zelfs kan niet gezegd warden dat hun vakbonden onder druk van de omstandigheden accoord zijn gegaan met een afslanking voorafgaande aan een overname met het doel om door het aldus mogelijk maken van de overname werkgelegenheid te redden. Die werkgelegenheid was immers in principe, toen Het Accoord werd gesloten, reeds verdwenen buiten alle bij Het Accoord betrokkenen om.

6. Dat betekent dat de vorderingen van Bakker c.s. warden afgewezen, nu deze alle berusten op de toepasselijkheid van artikel 7:662 BW e.v..

De vordering van Smits wordt afgewezen omdat hij op het ten deze relevante tijdstip niet meer in dienst van SPAN was.

7. Gelet op de af loop van het geding wordt Bakker c.s. veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van SPANO.

BESLISSING

De kantonrechter:
I wijst de vorderingen af;
II veroordeelt Bakker c.s. in de kosten van het geding aan de zijde van SPANO tot op heden begroot op EURO 1.090,00 voorzover verschuldigd inclusief BTW, aan salaris van haar gemachtigde;
III verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. M.P.A.M. Fruytier, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter