Actuele positie vakbeweging, 'politiek, economisch en sociaal'
De woekering van het neoliberalisme
Sjarrel Massop
De positie van de internationale vakbeweging in het algemeen en die van de FNV in het bijzonder hangt sterk samen met de ontwikkeling van het neoliberalisme. Eén van de eerste analyses daarover is de vakbondsbrochure Positie en strategie van de vakbeweging in 2018.
Om tot nieuwe perspectieven voor de (internationale) vakbeweging te komen, is een fundamentele analyse van haar positie nodig in het krachtenveld van 'politiek, economie en de sociale gevolgen'. Daartoe zijn relevante aanzetten gegeven, volledig zijn die uiteraard niet, ook omdat die ontwikkelingen niet stilstaan.
Het was Merijn Oudenampsen die in de genoemde brochure de aansporing gaf de positie van de vakbeweging te onderzoeken. In zijn recente boek is hij daar verder op ingegaan. (1) Veel animo voor een vervolgdiscussie was er niet bij de vakbeweging, ondanks enige aandrang. Dat heeft onder meer geleid tot een 'dossier' van Solidariteit, een initiatief om het zelf te doen: De FNV van de leden. Hier een overzicht van de verzamelde literatuur die drie onderdelen kent: positie, privaat en publiek. In deze bijdrage gaat het over 'privaat' via het werk van Karl Polanyi en met name van zijn dochter Kari Polanyi Levitt die regelmatig geciteerd zal worden.(2)
Keynes en Hayek
Hier vinden we de ideologische wortel van het neoliberalisme van onze tijd, dat de idealen van vrijheid en gelijkheid van de Verlichting heeft getransformeerd en verlaagd tot de vrijheid van kapitaal en particulier ondernemerschap, tot onbeperkte toegang om samenlevingen naar hun eigen beeld en belangen te hervormen.
Met deze gedachte zette Kari, geboren in 1923 is is nog niet overleden, het werk voort van haar vader Karl Polanyi (1886–1964). Karl was de tijdgenoot van John Maynard Keynes (1883-1946) en Friedrich Hayek (1892-1992). De laatste was de grote inspirator van het neoliberalisme: een economisch systeem dat over de gehele wereld navolging vond. Keynes was de econoom die de wederopbouw na de grote economische crisis van 1929 trachtte vorm te geven. Hij liet de overheid een grote rol spelen om de problemen van de economische neergang te beheersen.
Hayek daarentegen was de man van zo weinig mogelijke overheidsinvloed. De vrije markt moest het gehele economische leven vorm geven, waarbij de overheid nauwelijks of geen rol meer zou spelen. Alle bemoeienissen die die marktwerking zouden belemmeren, de internationale vakbeweging voorop, moesten geëlimineerd worden.
Algehele vermarkting
In de jaren zeventig van de vorige eeuw kwam de wereldeconomie, na de grote opleving vanaf 1945, weer ernstig in de problemen. Daar is de grote transformatie (omvorming) naar het neoliberalisme begonnen. In webzine Solidariteit wordt de theorie van Polanyi besproken, zie: e406-3 en e407–1.
Samenvattend luidt de economische gedachte van Polanyi: er waren mogelijkheden om de ernstige gevolgen van het neoliberalisme tegen te gaan. Tenminste, wanneer drie economische basisbeginselen aangepast worden: land, geld en arbeid. Dat wil zeggen: de omvorming om een product dat geen economische waarde heeft tot een verkoopbaar product. Daarbij moet de staat ervoor zorgen dat drie beginselen niet 'vermarkt' moeten zijn: land, geld en arbeid.
Onvermijdelijk is overigens dat de neoliberalen het gemunt hadden op de vakbeweging, de beweging die de tegenpool vormt van het 'vrije kapitaal' en voor 'de arbeid' opkomt.
Het neoliberalisme kreeg de wind mee. Hayek kreeg in 1974 de Nobelprijs voor de economie, daarna kwam het neoliberalisme in een sneltreinvaart. Begin jaren tachtig vormden de doorbraak. Vooral Reagan en Thatcher (there is no alternative: tina ) gingen als super neoliberalen te keer. Maar ook Europa raakte in de ban. Na de val van de muur in 1989 gingen alle neoliberale remmen los. De gevolgen voor de (internationale) vakbewegingen waren desastreus! De basisbeginselen van Polanyi, waarvan hij vond dat die niet vermarkt mochten worden, "land, geld en arbeid" worden vermarkt.
Drie thema's
Kari Polanyi heeft het werk van haar vader voortgezet, met name over de crisis van 2008. Een crisis die zeker op het conto van het systeem van het neoliberalisme kan worden bijgeschreven. Eén van de drastische maatregelen is de invoering van de marktwerking van het geld: de 'financialisering' van de economie. De markt nam alle financiële processen over en bracht een situatie tot stand, waarin door speculatie met geld meer geld gemaakt kan worden. Winsten worden niet alleen meer gemaakt door de uitbuiting van de arbeid, maar met name door speculatie met door banken zelf gecreëerd geld. Een proces, waarover Arthur Berkhout en Thomas Bollen hebben geschreven: financialisering. Door speculatie met hypotheken ging dat in 2008 helemaal fout. Een zelfde situatie dreigt vandaag met de speculatie met 'Artificiële Intelligentie', een tikkende tijdbom.
Kari heeft zich niet beperkt tot de economie. Ze heeft de politiek, met name het aandeel van de overheden, aandacht gegeven en de schadelijke gevolgen daarvan voor de sociale situatie waarin veel mensen leven. Hier aandacht aan drie thema's die zij bespreekt.
1. Markt en staat.
In het neoliberale tijdperk zijn overheden gedwongen afstand te doen van monetaire, begrotings- en bestuurlijke beleidsinstrumenten. Hierdoor wordt hun vermogen beperkt m te voldoen aan de oproep van hun burgers om te voorzien in fundamentele sociale rechtvaardigheid. Politiek gezien verkleint de overdracht van macht en middelen naar de private sector en naar niet-gouvernementele organisaties de publieke ruimte waarin de democratie kan functioneren.
* Dit is kenmerkend voor de holle staat waarover in Solidariteit is geschreven.
2. Handel en ontwikkeling.
De binnenlandse voedselproductie voor eigen consumptie moet worden beschermd tegen destructieve concurrentie door import. Niet alleen om de belangrijke redenen van individuele en nationale voedselzekerheid. Maar ook, omdat landbouw, bosbouw en visserij sectoren zijn die mensen 'van nature' in contact brengen met de natuurlijke omgeving.
Buitenlandse investeringen zijn wenselijk, maar moeten voldoen aan de nationale regelgeving over de tewerkstelling van staatsburgers, de aankoop van lokale materialen en de naleving van milieunormen. Buitenlandse investeerders en niet-staatsburgers mogen in geen geval een gunstiger behandeling krijgen dan staatsburgers.
Controle op de in- en uitstroom van kapitaal is een basisinstrument van macro-economisch beleid. Landen zouden hun soevereine recht om dit toe te passen, moeten herwinnen.
* Dit komt dichter bij 'perspectief' en misschien wel 'strategie', maar het is ook een belangrijke beoordeling van hoe buitenlands kapitaal zich mengt in binnenlandse aangelegenheden.
3. Groei en eigen vermogen.
In veel landen, waaronder de ontwikkelde economieën van het noorden, heeft de toegenomen concurrentie geleid tot een voortdurende inkrimping van de werkgelegenheid. Tegelijkertijd komen productiviteitswinsten in toenemende mate ten goede aan kapitaal en aan werkers in de zakelijke en commerciële dienstverlening.
De arbeid is vermarkt!
Wanneer mensen geen betaald werk kunnen vinden, sluiten ze zich aan bij de steeds groter wordende groep werkenden in de informele sector ('precariaat'). Hoewel sommigen een redelijk inkomen kunnen verdienen, zijn velen aangewezen op werk dat niet in het minimale levensonderhoud voorziet.
De grote verscheidenheid aan productiviteitsniveaus en beloningsvormen, kenmerkend voor een ontwikkelingsland, vraagt om instellingen die een rechtvaardigere verdeling van de nationale productie waarborgen. Voorstellen voor een basisinkomen verdienen de overweging als middel om zekerheden te verankeren.
Tot slot: opvallend is dat Kari blijft vertrouwen in instituties en in overheden die verantwoordelijk zijn voor de publieke zaak. Helaas zal daarop blijven aansturen, het perspectief voor velen niet verbeteren.

Conclusie:
Na 2013, het jaar waarin het boek van Kari uitkwam, is het neoliberalisme is nog niet uitgewoekerd. De publieke zaak is wereldwijd losgeslagen, het kapitaal heeft de vrije hand, niet alleen in de traditionele westerse landen, de Verenigd Staten en Europa. De opkomende landen vertonen kenmerken van het neoliberalisme. Ook de ontwikkelingslanden stagneren ernstig in hun ontwikkeling. Belangrijke instituties IMF, Wereldbank, Verenigde Naties, internationale Gerechtshof zijn loyaal aan een systeem dat mensen in de steek laat.
Politieke partijen en organisaties onderkennen het gevaar van het systeem (neoliberalisme) niet, of blijven het propageren. De sociale bewegingen die mensen oorspronkelijk vertegenwoordigden, de vakbeweging voorop, zijn bureaucratisch geworden en staan grotendeels buitenspel. Hun organisatiegraad neemt gestaag af.
Over de gehele wereld ontberen veel mensen de noodzakelijke ondersteuning, voedingsmiddelen, huisvesting, inkomen, medische zorg, democratie, vrede. Dat is de positie waarin de sociale bewegingen, de vakbeweging voorop, zich bevinden. Deze situatie verbetert niet of nauwelijks:, corona, ebola, genocide, oorlog, overbevolking en vernietiging van de ecologische systemen.
Wat mij betreft, is het te vroeg strategieën te bedenken hoe deze problematiek te verbeteren. Zijn er wel nieuwe perspectieven? Beslist!. De verontwaardiging groeit, het bewustzijn over de bestaande verhoudingen verbetert. Mensen zijn duidelijk op zoek naar elkaar, de gemeenschapszin noemt toe, de zorg om de toekomst is groot, Solidariteit komt op de agenda.
(1) Merijn Oudenampsen, (2026), No Nonsense: A History of the Dutch Neoliberal Turn,Londen, Verso
(2) Kari Polanyi Levitt, (2013), From the Great Transformation to the Great Financialization, on Karl Polanyi and other essays,, Nova Scotia, Fernwood
